les 20 bijvoeglijk naamwoord

bijvoeglijk naamwoord
Het boek is dik.
Het dikke boek.
een dik boek

Het raam is vuil
Het vuile raam
een vuil raam
1 / 16
next
Slide 1: Slide
TaalBasisschoolGroep 4

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

bijvoeglijk naamwoord
Het boek is dik.
Het dikke boek.
een dik boek

Het raam is vuil
Het vuile raam
een vuil raam

Slide 1 - Slide

De fiets is mooi

de ........ fiets
A
mooi
B
mooie

Slide 2 - Quiz

Het kind is lief.

Het ...........kind
A
lief
B
lieve

Slide 3 - Quiz

De fles is vol.

De .........fles
A
volle
B
vol

Slide 4 - Quiz

Het kopje is geel.

het ....... kopje
A
gele
B
geel

Slide 5 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord.
De grijze tas
A
de
B
grijze
C
tas

Slide 6 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

de dure jas.
A
dure
B
de
C
jas

Slide 7 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

Het gezellige feest.
A
feest
B
het
C
gezellige

Slide 8 - Quiz

de muur is hard.
De ........ muur.

Slide 9 - Open question


Wat is het bijvoeglijk naamwoord?
A
Temperatuur
B
aarde
C
is
D
zorgelijk

Slide 10 - Quiz


Wat zijn bijvoeglijke naamwoorden?
A
mooie, lieve, rare
B
lamp, fiets, plant
C
op, achter, naast
D
de, het, een

Slide 11 - Quiz

wat zijn bijvoeglijke naamwoorden?
A
de, het , een
B
slimme, mooie, rode
C
fiets, boek, volleybal
D
lopen, werken, denken

Slide 12 - Quiz

Wat is het juiste bijvoeglijk naamwoord?
A
Een katoen pop
B
Een katoene pop
C
Een katoenen pop
D
Een katoenenen pop

Slide 13 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

de rode deur.
A
de
B
rode
C
deur

Slide 14 - Quiz

Wat is het bijvoeglijk naamwoord?

De gouden ring

A
gouden
B
ring
C
De

Slide 15 - Quiz

Bijvoeglijk 
naamwoord

Slide 16 - Mind map