This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
We starten in 5 minuten met de les.
Slide 2 - Slide
¿Qué vamos a hacer hoy?
A. Opstarten: Les en absentie
B. Doornemen: PTO 2 lesstof
C. Doornemen: Woordenlijst
D. Doornemen: Estar & Ser
E. Oefenen: Verbo Ser & Estar
F. Afsluiting
Los deberes para la próxima clase:
Lezen: VOC 2.1
Maken: Opdracht 13 a & b pagina 63
Lesprogramma
Después de la clase...
Kan je "ser" en "estar'' begrijpen en toepassen in contexten zoals identiteit, eigenschappen en tijdelijke toestanden enzovoort.
Zinnen kunnen vormen met de juiste vervoegingen van "ser" en "estar" in tegenwoordige tijd.
Slide 3 - Slide
Registro de asistencia
Slide 4 - Slide
Woordenlijst
Slide 5 - Slide
IK WEET WAT DE WERKWOORDEN BETEKENEN: SER & ESTAR
JA
NEE
Slide 6 - Poll
Wat betekent het werkwoord SER & ESTAR
Slide 7 - Open question
Slide 8 - Slide
Slide 9 - Slide
VERBO SER
Slide 10 - Slide
IK WEET WAT DE WERKWOORDEN BETEKENEN: SER & ESTAR
JA
NEE
Slide 11 - Poll
Wat betekent het werkwoord SER & ESTAR
Slide 12 - Open question
Slide 13 - Slide
Slide 14 - Slide
VERBO ESTAR
Slide 15 - Slide
Ik snap het verschil tussen SER en ESTAR
Ja
Nee
Niet helemaal
Slide 16 - Poll
Wanneer gebruk je ‘ser’ en wanneer gebruik je ‘estar’.
Nationaliteit
A
ser
B
estar
Slide 17 - Quiz
Wanneer gebruk je ‘ser’ en wanneer gebruik je ‘estar’.
Tijdelijk toestand
A
ser
B
estar
Slide 18 - Quiz
Wanneer gebruk je ‘ser’ en wanneer gebruik je ‘estar’.
De tijd/ datum
A
ser
B
estar
Slide 19 - Quiz
Wanneer gebruk je ‘ser’ en wanneer gebruik je ‘estar’.
Eigendom
A
ser
B
estar
Slide 20 - Quiz
Wanneer gebruk je ‘ser’ en wanneer gebruik je ‘estar’.
Plaatsbepaling/zich bevinden
A
ser
B
estar
Slide 21 - Quiz
Wanneer gebruk je ‘ser’ en wanneer gebruik je ‘estar’.
Beroep
A
ser
B
estar
Slide 22 - Quiz
Wanneer gebruk je ‘ser’ en wanneer gebruik je ‘estar’.
Uiterlijk/beschrijving
A
ser
B
estar
Slide 23 - Quiz
Vul de juiste vervoeging van het werkwoord SER Y ESTAR waar het ontbreekt.
A practicar!
Slide 24 - Slide
¡Ahora te toca a ti! Kijk eerst of je ser of estar dient te gebruiken, en vervoeg deze vervolgens op de juiste wijze. 8. Mi amiga y yo _____ españolas.
Slide 25 - Open question
¡Ahora te toca a ti! Kijk eerst of je ser of estar dient te gebruiken, en vervoeg deze vervolgens op de juiste wijze. 9. Mis compañeros y yo _____ en el restaurante chileno.
Slide 26 - Open question
¡Ahora te toca a ti! Kijk eerst of je ser of estar dient te gebruiken, en vervoeg deze vervolgens op de juiste wijze. 10. Hoy yo ___ un poco nervioso por los examenes.
Slide 27 - Open question
¡Ahora te toca a ti! Kijk eerst of je ser of estar dient te gebruiken, en vervoeg deze vervolgens op de juiste wijze. 11. Ámsterdam __ la capital de Holanda.
Slide 28 - Open question
¡Ahora te toca a ti! Kijk eerst of je ser of estar dient te gebruiken, en vervoeg deze vervolgens op de juiste wijze. 12. Eindhoven __ en el sur del país.
Slide 29 - Open question
¡Ahora te toca a ti! Kijk eerst of je ser of estar dient te gebruiken, en vervoeg deze vervolgens op de juiste wijze. 13. ¿Dónde ____ vosotros ahora? ¿En Tenerife?
Slide 30 - Open question
¡Ahora te toca a ti! Kijk eerst of je ser of estar dient te gebruiken, en vervoeg deze vervolgens op de juiste wijze. 14. Estos ____ mis libros.
Slide 31 - Open question
¡Ahora te toca a ti! Kijk eerst of je ser of estar dient te gebruiken, en vervoeg deze vervolgens op de juiste wijze. 15. Yo ___ una persona muy graciosa.