Lidwoorden
Lidwoorden
Lidwoorden
de, het, een
Wat ga je leren?
In deze les leer je:
wat lidwoorden zijn
de regels bij de-woorden
de regels bij het-woorden
het-woorden
bij verkleinwoorden (-je, -pje, -tje)
namen van talen
windrichtingen
woorden die eindigen op -um en -ment
de-woorden
er zijn meer de-woorden, dan het-woorden
de woorden bij meervoud, cijfers en letters, namen van bergen en rivieren
personen
Weet je nog niets?
Gebruik 'een'.
Ik heb een huis.
David eet een banaan.
Layla heeft een kind.
Heb je al informatie? Gebruik ‘de’ of ‘het’.
Het huis heeft drie kamers.
De banaan is lekker.
Het kind heet Mohammed.
Quiz
... buurt
de
het
... dier
de
het
... bed
de
het
... tafels
de
het
... stoeltje
de
het
... meisje
de
het
... vijf
de
het
... Mount Everest
de
het
vrouw
de
het
Ik eet elke dag ... appel.
de
het
een
Wil je ... kopje thee?
de
het
een
Ik ga met ... fiets naar het werk.
de
het
een
... fruit is op.
de
het
een
Ik houd niet van ... winter.
de
het
een
We kijken elk weekend ... film.
de
het
een
... opa en oma van Said zijn oud.
de
het
een
Elisa heeft een kind. ... kind het Lola.
de
het
een
Wil je ... koekje bij de koffie?
de
het
een
... soep is lekker.
de
het
een
Sarah woont in een appartement. ... appartement is klein.
de
het
een
Mijn vader heeft ... auto gekocht.
de
het
een
Hoeveel lidwoorden staan er in dit verhaal? 'Vandaag ga ik naar de winkel. Ik loop door het park naar de winkel. De man in de winkel zegt: “Hallo”. Ik zoek het fruit. Ik neem appels en bananen. De man weegt de appels en de bananen. Ik ga naar de kassa en ik betaal de boodschappen.'
10
11
12
13