HEY 2.3 Atoom- en molecuulmassa

2.3 Atoom- en molecuulmassa
Les 1
1 / 28
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 28 slides, with text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

2.3 Atoom- en molecuulmassa
Les 1

Slide 1 - Slide

Huiswerk
2.2 Ionen 
 Lezen: blz 43 - 45 
 Maken: 18 t/m 21 
 Samenvatten: blz. 44 

Slide 2 - Slide

Leerdoelen
Je leert hoe je de massa’s van atomen en ionen uitdrukt.
Je leert hoe je de massa van een molecuul berekent en hoe je het massapercentage van een atoomsoort in een verbinding berekent.

Slide 3 - Slide

Atoommassa
Atoommassa: massa protonen + massa neutronen

Massagetal: aantal protonen + aantal neutronen  

Slide 4 - Slide

Atomaire massa-eenheid
De Atomaire massa-eenheid wordt uitgedrukt in u

Atomen zijn namelijk hééééééééél klein, 
de massa is dus ook hééééééééél klein.

Vandaar een aparte eenheid (u) voor atoommassa
(1 u = 1.66 × 10⁻²⁷ kg)

Slide 5 - Slide

Atomaire massa-eenheid
Massa proton = 1 u (1,0073 u)

Massa neutron = 1 u (1,008 u)

Massa elektron = 0,000549 (of 5,49 * 10 ^-4) u
  • Massa elektronen is dus verwaarloosbaar!

Slide 6 - Slide

Relatieve atoommassa 
De relatieve of gemiddelde atoommassa van ieder atoom kun je aflezen in het periodiek systeem.


Slide 7 - Slide

Gemiddelde atoommassa
Hoe komen ze nu aan die atoommassa?

Zie tabel 25 (Isotopen)
De atoommassa in periodiek systeem is de gemiddelde massa van de isotopen

Slide 8 - Slide

Voorbeeld.       Gemiddelde atoommassa van magnesium




(78,99 x 23,98504) + (10,00 x 24,98584) + (11,01 x 25,98259)   /   100
                                     
=   24,30505026 = 24,31 u

Slide 9 - Slide

Ionmassa
Wat is het verschil tussen een ion en een atoom?

Slide 10 - Slide

Ionmassa
Het aantal elektronen verschilt. Deze hebben een verwaarloosbare massa, dus de ionmassa is hetzelfde als de atoommassa.

Massa O = 16,00 u
Massa O2- = 16,00 u

Slide 11 - Slide

Significante cijfers
Scheikunde is een exacte wetenschap. Het doen van nauwkeurige metingen is erg belangrijk.

De ene meting is nauwkeuriger dan de andere! Wat als ik die met elkaar ga verrekenen?


Slide 12 - Slide

Significante cijfers
significante cijfers: cijfers die de nauwkeurigheid van een meting bepalen. 

  • Nullen aan het begin tellen niet mee. 
  • Nullen aan het eind wel.
  • Telwaarden hebben een onbeperkt aantal significanten.


Slide 13 - Slide

Significante cijfers
significante cijfers: cijfers die de nauwkeurigheid van een meting bepalen. Nullen aan het begin tellen niet mee. Nullen aan het eind wel.

bijv.
Blok ijzer weegt 012 kilogram 
Leerling weegt 64,2 kilogram
Zoutkorrel weegt 0,0004 gram 
Autoband weegt 8,300 kilogram 

Slide 14 - Slide

Significante cijfers
significante cijfers: cijfers die de nauwkeurigheid van een meting bepalen. Nullen aan het begin tellen niet mee. Nullen aan het eind wel.

bijv.
Blok ijzer weegt 012 kilogram ( 2 significant )
Leerling weegt 64,2 kilogram ( 3 significant )
Zoutkorrel weegt 0,0004 gram ( 1 significant )
Autoband weegt 8,300 kilogram ( 4 significant )

Slide 15 - Slide

Rekenen met significante cijfers
Op toetsen kan gevraagd worden om het antwoord te geven in het goede aantal significante cijfers. Wat is dit?

Optellen of aftrekken? Houd dan het kleinste aantal decimalen aan voor het aantal cijfers achter de komma in je antwoord.

Vermenigvuldigen of delen? Houd dan het kleinste aantal significante cijfers aan voor je eindantwoord.  




Slide 16 - Slide

Aan de slag
2.3 Atoom- en molecuulmassa
Lezen: blz 47 - 48
Maken: 22 t/m 24 + werkblad atoombouw
Samenvatten: blz. 47 - 48

Slide 17 - Slide

2.3 Atoom- en molecuulmassa
Les 2

Slide 18 - Slide

Huiswerk
2.3 Atoom- en molecuulmassa
Lezen: blz 47 - 48
Maken: 22 t/m 24 + werkblad atoombouw
Samenvatten: blz. 47 - 48

Slide 19 - Slide

Leerdoelen
Je leert hoe je de massa’s van atomen en ionen uitdrukt.
Je leert hoe je de massa van een molecuul berekent en hoe je het massapercentage van een atoomsoort in een verbinding berekent.

Slide 20 - Slide

Telwaarden en meetwaarden
  • Telwaarden zijn waarden die je kunt tellen, bijv. het aantal leerlingen in de klas of het aantal bekerglazen op tafel.
  • Telwaarden zijn feiten waarbij iedereen hetzelfde antwoord geeft.

  • Meetwaarden zijn waarden die je kunt meten, bijv. hoe lang je bent of hoeveel water er in je bekerglas zit.
  • Over meetwaarden kunnen discussies ontstaan. antwoorden kunnen per persoon verschillen = meetonzekerheid/onnauwkeurigheid.

Slide 21 - Slide

Telwaarden vs meetwaarden
Telwaarden, die tel je.
- Bijvoorbeeld het Massagetal

Meetwaarden, die meet je.
- Bijvoorbeeld de molecuulmassa

Slide 22 - Slide

Significantie
  • Geeft nauwkeurigheid van meting aan.

  • Optellen of aftrekken? Houd dan het kleinste aantal cijfers achter de komma aan voor het aantal cijfers achter de komma in je antwoord.

  • Vermenigvuldigen of delen? Houd dan het kleinste aantal cijfers aan.  

  • Telwaarden zijn altijd hele getallen en hebben geen invloed op het aantal significante cijfers.

Slide 23 - Slide

Molecuulmassa
Molecuulmassa (M) = alle atoommassa's bij elkaar

Slide 24 - Slide

Molecuulmassa
Massa atomen bij elkaar op tellen

Voorbeeld. Massa van H2O:
  • 2 x H = 2 x 1,008 = 2,016 u
  • 1 x O = 1 x 16,00 = 16,00 u
  • 2,016 + 16,00 = 18,016 u
  • Significantieregels: (optellen: kleinste aantal dec) 18,02 u

Slide 25 - Slide

Massapercentage
Je moet het massapercentage uit kunnen rekenen van een bepaalde atoomsoort in een molecuul.


Voor het berekenen van een massapercentage gebruik je deze formule:




 


Slide 26 - Slide

Massapercentage
Massapercentage van zuurstof in zwavelzuur (H2SO4):

  • massa zuurstof: 4x O = 4x 16,00 = 64,00 u
  • massa zwavelzuur: 2x H + 1x S + 4x O = (2x 1,008) + 32,06 + 64,00 = 98,076 u
  • m% = (64,00 / 98,076) x 100 = 65,3%

Slide 27 - Slide

Aan de slag!
2.3 Atoom- en molecuulmassa
Lezen: blz 48 - 49
Maken: 25 t/m 29
Samenvatten: blz. 48 - 49

Slide 28 - Slide