Spaans A1/A2 oefeningen
Spaans A1/A2 oefeningen
De gebruiker vraagt om alleen oefeningen en geen presentatie. Daarom is dit een werkblad-achtige deck met uitsluitend oefenslides, zonder uitlegslides of leerdoelslide.
Persoonlijke voornaamwoorden
Schrijf het Spaanse persoonlijke voornaamwoord.
ik = ...
jij = ...
hij/zij/u = ...
wij = ...
jullie = ...
zij = ...
This item has no instructions
Welk Spaans woord ken je al?
Korte activatie. Laat leerlingen losse woorden typen die al in de oefeningen voorkomen, zoals yo, tú, ser, casa of hermano.
Ser invullen
Vul de juiste vorm van ser in.
Yo ... estudiante.
Tú ... simpático.
Ella ... profesora.
Nosotros ... de Holanda.
Vosotros ... mis amigos.
Ellos ... estudiantes.
Gebruik alleen basisvormen: soy, eres, es, somos, sois, son.
Ser of tener?
Kies ser of tener en schrijf de juiste vorm.
Yo ... dieciséis años.
Nosotros ... de España.
Tú ... un hermano.
Ella ... médica.
Ellos ... una casa.
Vosotros ... estudiantes.
Deze oefening zet aan tot denken doordat studenten moeten kiezen tussen identiteit/oorsprong en bezit/leeftijd.
Tener vervoegen
Vul de juiste vorm van tener in.
Tú ... un coche nuevo.
Nosotros ... muchos libros.
Yo ... una bicicleta.
Vosotros ... una casa.
Ellos ... dos hermanos.
Él ... una discoteca.
This item has no instructions
Estar vervoegen
Vul de juiste vorm van estar in.
Yo ... en el colegio.
Tú ... en clase.
Él ... muy enfermo.
Nosotros ... en Holanda.
Vosotros ... en España.
Ellos ... de vacaciones.
Houd het eenvoudig: plaats of toestand herkennen.
Welke vorm past bij yo van ser?
soy
eres
es
somos
This item has no instructions
Kies de goede werkwoorden
Yo tengo dieciséis años y nosotros somos de España. Tú eres simpático y ellos tienen una casa.
Sluit aan bij de blokken over persoonlijke voornaamwoorden, ser, tener en estar. Let op: leeftijd = tener, herkomst/identiteit = ser.
Wanneer gebruik je ser en wanneer tener?
Bespreek dat een goed antwoord noemt: leeftijd met tener, plaats of toestand met estar, identiteit of herkomst met ser. Korte voorbeelden zijn genoeg.
Lidwoorden kiezen
Vul el, la, un of una in.
... familia
... hermano
... hermana
... padre
... madre
... hotel
... fábrica
... bicicleta
Deze oefening sluit direct aan bij de aangeleverde afbeeldingen met basiswoordenschat en lidwoorden.
Lidwoorden in zinnen
Vul el, la, un of una in.
Mi padre trabaja en ... hospital.
Mi madre trabaja en ... fábrica.
Tengo ... hermano y ... hermana.
Mi hermano trabaja en ... supermercado.
Mi hermana tiene ... bicicleta.
Tenemos ... casa con ... jardín.
Meer denkwerk dan losse woorden: de student moet naar het zelfstandig naamwoord in de zin kijken.
Nog meer lidwoorden
Vul el, la, un of una in.
... aeropuerto es muy grande.
Mi madre es ... secretaria.
Mi padre es ... médico.
... profesor trabaja en ... colegio.
Tengo ... televisión en casa.
Es ... estudiante.
This item has no instructions
Meervoud schrijven
Schrijf het woord in het meervoud met het juiste lidwoord.
el señor → ...
el teléfono → ...
el libro → ...
la mesa → ...
la casa → ...
la chica → ...
Laat studenten eerst het juiste lidwoord kiezen en daarna de meervoudsvorm maken.
Cijfers in het Spaans
Schrijf deze cijfers in het Spaans.
0 = ...
1 = ...
2 = ...
11 = ...
15 = ...
16 = ...
18 = ...
20 = ...
Kies een beperkte set zodat het niveau A1+/A2 haalbaar blijft.
Leeftijd en getallen
Maak de zinnen af met een Spaans getal.
Yo tengo ... años. (16)
Mi hermano tiene ... años. (18)
Mi madre tiene ... años. (45)
Nosotros tenemos ... libros. (12)
Ella tiene ... bicicletas. (2)
Tú tienes ... hermanos. (3)
Studenten moeten hier cijfers koppelen aan een echte zin, niet alleen losse woorden opschrijven.
Welk lidwoord past bij hermana?
el
un
la
una
Test het herkennen van vrouwelijk enkelvoud zonder extra nieuwe woorden.
Lidwoorden en getallen
Mi padre trabaja en un hospital. Tengo una hermana. Yo tengo dieciséis años y ella tiene dos bicicletas.
Combineert lidwoorden uit de zinnen met getallen uit leeftijd en aantallen.
Hoe kies jij tussen el, la, un en una?
Bespreek dat leerlingen letten op mannelijk/vrouwelijk en op de betekenis van het zelfstandig naamwoord in de zin.
Werkwoorden op -AR
Kies het juiste werkwoord en vervoeg het goed.
Kies uit: hablar, estudiar, trabajar, viajar, escuchar, comprar
Yo ... español en clase.
Marta ... turismo.
Nosotros ... a Madrid en verano.
Mi padre ... en un hotel.
Tú ... música en casa.
Carlos y Ana ... una bicicleta.
Neem over uit de afbeelding. Deze oefening vraagt zowel betekenis als vervoeging.
Werkwoord kiezen
Kies een passend werkwoord en schrijf de juiste vorm.
Yo ... neerlandés e inglés.
Nosotros ... en el colegio.
Mi madre ... en un supermercado.
Tú ... a España en verano.
Ellos ... música en casa.
Carlos ... una casa.
Gebruik alleen bekende basiswerkwoorden uit de eerdere oefeningen: hablar, estudiar, trabajar, viajar, escuchar, comprar.
Infinitief vertalen
Vertaal naar het Spaans. Gebruik de infinitief.
dansen = ...
wandelen = ...
kopen = ...
sturen = ...
luisteren = ...
studeren = ...
spreken / praten = ...
betalen = ...
Eenvoudige woordenschatoefening op infinitieven, passend bij A1+/A2.
Nog meer infinitieven
Vertaal naar het Spaans. Gebruik de infinitief.
reserveren / boeken = ...
reizen = ...
werken = ...
hebben = ...
zijn = ...
wonen = ...
De laatste drie sluiten aan bij de andere oefeningen in het materiaal.
Welke vorm past bij nosotros van viajar?
viajo
viajas
viaja
viajamos
This item has no instructions
Werkwoorden op -ar
Yo hablo neerlandés e inglés. Nosotros estudiamos en el colegio. Mi madre trabaja en un supermercado en Carlos compra una casa.
Gebaseerd op de bekende werkwoorden hablar, estudiar, trabajar en comprar.
Hoe weet je welke uitgang past?
Goede antwoorden noemen bijvoorbeeld dat het onderwerp helpt: yo, nosotros, mi madre, Carlos. Het gaat om denken over de vorm, niet om lange uitleg.
Vraag en vertaling
Verbind de Nederlandse zin met de Spaanse vraag.
Wat betekent broer?
Waar woon je?
Wat is jouw nationaliteit?
Hoe heet je?
Welke talen spreek je?
Hoe oud ben je?
Waar kom je vandaan?
Hoe heet jouw broer?
Spaans:
¿Qué significa "hermano"?
¿Dónde vives?
¿Cuál es tu nacionalidad?
¿Cómo te llamas?
¿Qué idiomas hablas?
¿Cuántos años tienes?
¿De dónde eres?
¿Cómo se llama tu hermano?
Op de slide staat alles compact; de docent kan leerlingen laten koppelen met nummers.
Korte antwoorden schrijven
Geef een eenvoudig Spaans antwoord.
¿Cómo te llamas?
¿Cuántos años tienes?
¿De dónde eres?
¿Dónde vives?
¿Qué idiomas hablas?
¿Cómo se llama tu hermano?
Open maar eenvoudig: studenten produceren korte basiszinnen over zichzelf of een familielid.
Stel jezelf voor
Schrijf 6 korte zinnen in het Spaans over jezelf.
Gebruik:
een begroeting
je naam
je leeftijd
waar je vandaan komt
welke talen je spreekt
een afscheid
Houd het realistisch voor A1+/A2: korte modelzinnen zijn voldoende.
Korte e-mail
Schrijf een korte e-mail in het Spaans aan een nieuwe klasgenoot.
Gebruik 8 genummerde zinnen.
Gebruik in je tekst:
ser
tener
minimaal 2 werkwoorden op -ar
minimaal 2 familieleden
el, la, un of una
De originele opdracht had 12 stappen; hier is de taak vereenvoudigd naar het gevraagde niveau A1+/A2.
Uitspraak en spelling
Vul de ontbrekende letters of klanken in.
ca, co, cu klinken als ...
ce, ci klinken zoals de Engelse ...
h wordt niet ...
ch klinkt als ...
j klinkt als ...
rr is een sterk rollende ...
Maak de correctie eenvoudig en mondeling; deze slide toetst herkenning, niet fonetische perfectie.
Woordenschat in zinnen
Maak de zin af met een passend woord.
Kies uit: hospital, fábrica, supermercado, hotel, aeropuerto, jardín
Mi padre trabaja en un ...
Mi madre trabaja en una ...
Mi hermano trabaja en un ...
Nosotros viajamos desde el ...
Marta trabaja en un ...
Tenemos una casa con ...
Alle woorden komen uit de afbeeldingen; geen nieuwe woordenschat toevoegen.
Herhalen: ser, tener, estar
Kies ser, tener of estar en schrijf de juiste vorm.
Yo ... en clase.
Tú ... un hermano.
Ella ... de España.
Nosotros ... estudiantes.
Ellos ... de vacaciones.
Mi padre ... médico.
Afsluitende gemengde oefening met de drie kernwerkwoorden uit het materiaal.
Welke vraag past bij: Waar woon je?
¿Cómo te llamas?
¿Dónde vives?
¿De dónde eres?
¿Qué idiomas hablas?
Laat leerlingen verschil zien tussen wonen, vandaan komen, naam en talen.
Korte zinnen invullen
Yo estoy en clase y mi padre es médico. Tú tienes un hermano y ellos están de vacaciones.
Afsluitende check op ser, tener en estar in een korte context.
Woordenlijst
ser - zijn voor identiteit of herkomst
tener - hebben
estar - zijn voor plaats of toestand
el - de, het mannelijk
la - de vrouwelijk
un - een mannelijk
una - een vrouwelijk
This item has no instructions