Unidad 5

El programa de hoy
Empezamos con la unidad 5


1 / 31
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 31 slides, with text slides.

Items in this lesson

El programa de hoy
Empezamos con la unidad 5


Slide 1 - Slide

Unidad 5 - Mi barrio

Empezamos en la página 83 del Libro de Texto

Slide 2 - Slide

LT p. 84 ¿Qué hay en tu barrio?
  • Lees de tekst en schrijf op wat er in de buurten van Sandra, Berto en Olaia is. Dit mag in het Nederlands.
  • Schrijf daarna in het Spaans op wat er in jouw buurt is.
  • Tip: gebruik de woordenlijst!

Slide 3 - Slide

Hay
  • Het werkwoord hay betekent er is / er zijn 
    (er staat / er staan / er ligt / er liggen)
  • Het verandert nooit van vorm!
  • Erachter komt een 'onbepaald onderwerp', dus woorden zoals un/una, dos, tres, mucho, poco
  • Na hay komt NOOOOOOIT él/la/los/las!
    ¿Er is het raam? ¿Er zijn de stoelen?

Slide 4 - Slide

No hay
  • Het woordje no staat altijd vóór het werkwoord.
  • No hay betekent er is geen / er zijn geen
    (er staat / er staan / er ligt / er liggen geen)
  • Hierna komt NOOOOOOIT él/la/los/las, maar óók geen un/una/unos/unas. 
    ¿Er is geen een raam? --> No hay ventana.

Slide 5 - Slide

¡A trabajar con los deberes!
Maak uit het LE:
  • p. 87: ejs 1, 2, 3
  • p. 91: ej 10
Maak de ejercicio extra.

Leer uit de woordenlijst Las tiendas y los servicios
SP-NL én NL-SP

Slide 6 - Slide

Plattegrond
Bord
xxx
Jonas Stan Florian
xxx
Jesse Ruben Thijs
Farah Esmee      o
Yorrick      o
   o         o         o
Lennart            o       
Maarten Vince Thomas
   o         o         o
     o          o         o
       o            o           o

Slide 7 - Slide

El programa del lunes
  • Repaso: tiendas y servicios
  • Teoria: indicar ubicación
  • A trabajar con los deberes

Slide 8 - Slide

Repaso: ¿Qué hay en tu barrio?
Vul aan:
  • En mi barrio hay...
  • En mi barrio no hay...

¿Hay un ___________ en tu barrio?

Slide 9 - Slide

Slide 10 - Slide

LT p. 85 
¿Dónde está la plaza de Barcelos?
Bekijk de plattegrond en lees de zinnen bij opdracht 5.
Wat betekent:
  • delante de
  • al lado de
  • a la izquierda de
  • al final
  • está(n)

Slide 11 - Slide

LT p. 85 
¿Dónde está la plaza de Barcelos?
Bekijk de plattegrond en lees de zinnen bij opdracht 5.
Wat betekent:
  • delante de                    voor
  • al lado de                      naast
  • a la izquierda de        links van
  • al final                            aan het eind
  • está(n)                           bevindt/bevinden zich, is/zijn op die plek

Slide 12 - Slide

Locatie aangeven
(ergens) zijn,
zich bevinden

ESTAR
yo
estoy
estás
él/ella
está
nosotros/-as
estamos
vosotros/-as
estáis
ellos/-as
están

Slide 13 - Slide

A trabajar
Maak uit het LE
  • p. 88, ej. 4
  • p. 89, ej. 5
  • p. 90, ej. 7
Klaar?
Leer uit de woordenlijst de woordjes van Las tiendas y los servicios en Indicar ubicación.

Slide 14 - Slide

Plattegrond
Bord
xxx
Jonas Stan Florian
Yorrick        o          o
Jesse Ruben   
Farah Esmee      o
Thijs    Maarten      o
   o         o        
Lennart            o       
      o     Vince   Thomas
   o         o        
     o          o         o
      o            o           o

Slide 15 - Slide

El programa de hoy
  • Repaso del vocabulario / un ejercicio de traducción
  • Teoria: hay, estar, ser
  • A trabajar con ejercicios.

Slide 16 - Slide

Vertaal naar het Spaans
Gebruik je woordenlijst!
  1. De bakkerij is links van de bibliotheek.
  2. De markt is dichtbij het park.
  3. Het zwembad ligt tussen het ziekenhuis en het museum.
  4. Er is geen restaurant in de straat.
  5. Er zijn huizen in de wijk.

Slide 17 - Slide

Vertaal naar het Spaans
  1. La panadería está a la izquierda de la biblioteca.
  2. El mercado está cerca del parque.
  3. La piscina está entre el hospital y el museo.
  4. No hay restaurante en la calle.
  5. Hay casas en el barrio.

Slide 18 - Slide

ser, estar y hay
ser geeft vaak eigenschappen aan. Je gebruikt het dan als je aangeeft hoe iets of iemand is. Soms kun je vormen van ser vertalen als het is of het zijn.
  • Los supermercados son grandes. / Es una piscina bonita.
estar geeft vaak aan waar iets/iemand zich bevindt, op welke plaats hij/zij is.
  • El mercado está en la ciudad.
hay moet je altijd kunnen vertalen met er is of er zijn. (Soms moet je dan de woordvolgorde veranderen: is er / zijn er)
  • ¿Hay una biblioteca en tu barrio? / Hay muchas calles en la ciudad.

Slide 19 - Slide

¡A trabajar!
Maak uit het Libro de Ejercicios, p. 90 en verder: 
  • ejercicios 8, 9, 11, 12, 13.

Ben je klaar? Leer uit de woordenlijst: 
el entorno / tiendas y servicios / indicar ubicacón 
alles SP-NL én NL-SP!

Slide 20 - Slide

https://es.educaplay.com/recursos-educativos/818059-mi_ciudad_y_mi_barrio.html

Slide 21 - Slide

Plattegrond
Bord
xxx
Florian  Lennart   o
xxx
Casper Levi       o
Zoë Esmee Amjad
Yorrick      o           o
Maarten Thijs Vince
               o             
    o           o           o
Farah        o         o
     o          o         o
Emil      Stan      Jonas

Slide 22 - Slide

El programa del lunes
  1. Woordjes overhoren
  2. ¿Pueblo o ciudad? Hacemos unos ejercicios
  3. Teoria: muy, mucho, poco
  4. A trabajar con ejercicios

Slide 23 - Slide

¿Pueblo o ciudad? (LE p. 93)
  • Hacemos juntos el ejercicio 1.
  • Haz el ejercicio 2. We bespreken even voor. 

  • Welke Spaanse woorden vind je in beide opdrachten voor 'erg, veel' en 'weinig'?

Slide 24 - Slide

muy, mucho, poco
veel, erg, weinig, niet zo
Je kunt met deze woorden...
  • ...iets zeggen over een bijvoeglijk naamwoord:
    muy (erg) of poco (niet zo) | La ciudad es muy tranquila y poco ruidosa.
  • ...iets zeggen over een werkwoord:
    mucho (veel) of poco (weinig) | Sara lee mucho pero dibuja poco.
  • ...iets zeggen over een zelfstandig naamwoord:
    mucho/a/os/as (veel) of poco/a/os/as (weinig) | En el centro hay muchas tiendas pero hay pocos parques.

Slide 25 - Slide

¡A trabajar!
Maak uit het Libro de Ejercicios, p. 94 en verder: 
  • ejercicio 3: begin elke zin met een ander werkwoord!
  • ejercicio 8
  • ejercicio 12: zet ook de vertaling van de woorden erbij.

Klaar? 
Overhoor elkaar met de woordjes.

Slide 26 - Slide

Programa del miércoles
Repaso: muy, mucho, poco (invuloefening op bord)
uitleg getallen
Luisteropdracht 14+15
zelf 13 maken + LT p. 87 leesopdracht 4

Slide 27 - Slide

Muy, mucho, poco
invuloefening maken

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

LE p. 98
ejercicio 14                              ejercicio 15

Slide 30 - Slide

¡A trabajar!
Maak:
  • LE p. 98, ej. 13.
  • Libro de Texto, p. 87, ejercicio 4.
    Voor hulp bij de vragen: --> 

Klaar? Leer of herhaal woordjes!



Hulp bij LT p. 87, ej. 4
qué cosas = welke dingen
puede = kan (hier: kunnen)
la gente = de mensen
a dónde = waarheen
quieren = zij willen 

Slide 31 - Slide