8 maart

Wat doen we vandaag?
  • Vragen grammatica?
  • Bespreken 11A t/m 15
  • Vertalen 11A
1 / 32
next
Slide 1: Slide
LatijnMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Wat doen we vandaag?
  • Vragen grammatica?
  • Bespreken 11A t/m 15
  • Vertalen 11A

Slide 1 - Slide

Vragen Grammatica?

Slide 2 - Open question

Geen vragen (meer)?
  • Maak maar twee rijtjes.... 

Slide 3 - Slide

Het gebruik van de AcI
  • Waarom een ACI?
  • Om dat de Romeinen dingen zo effectief mogelijk willen zeggen. Vergelijk:
  • Petrus dicit, ut puella sonam audiret. 
  • Petrus puellam sonam audire dicit. 

Slide 4 - Slide

AcI met twee accusativi
  • Pas op met twee accusativi: de ene is de subjectsaccusativus, de andere de objectsaccusativus. 
  • Latona lapidem capit.
  • Petrus videt, ut Latona lapidem capiat. 
  • Petrus Latonam lapidem capere videt. 
  • Latona: subject => subjectsaccusativus in AcI.
  • lapidem: object => blijft object bij capere. 

Slide 5 - Slide

Modus

Tijd

These

Slide 6 - Slide

Modi










Nee.... modi, geen mode...

Slide 7 - Slide

Modi
  • Het Latijnse werkwoord heeft naast een tijd ook een modus of wijze:
  • Infinitivus (onbepaalde wijs) 
  • Indicativus (aantonende wijs)
  • Imperativus (gebiedende wijs)
  • Conjunctivus (aanvoegende wijs) 
  • Participium (deelwoord)

Slide 8 - Slide

Tijden en zo...
  • Heden (praesens)
  • Verleden (imperfectum, perfectum, plusquamperfectum)
  • Toekomst (futurum)

Slide 9 - Slide

These
Is het onderwerp degene die het doet 
of
is het onderwerp degene die het ondergaat?

Slide 10 - Slide

Activum
  • Het onderwerp is de handelende persoon. 
  • De persoonsvorm is actief en geeft de actie aan die uitgevoerd wordt. 
  • Bijvoorbeeld: 
  • Obelix Romanum pulsat.
  • Obelix slaat de Romein. 

Slide 11 - Slide

Passivum
  • Het onderwerp ondergaat  lijdzaam de handeling. 
  • De persoonsvorm is passief.
  • De handelense persoon kan weergegeven worden door
  • a(b) + ablativus.
  • Voorbeeld: 
  • Romani pulsantur (ab Obelixe).
  • De Romeinen worden geslagen.

Slide 12 - Slide

Passivum.
  • Deus puellam vocat
  • De god roept het meisje.
  • Het onderwerp "doet" de handeling: actief. 
  • Puella vocatur a deo.
  • Het meisje wordt geroepen door de god.
  • Het onderwerp ondergaat de handeling: passief.
  • Leer de uitgangen van het praesens en imperfectum.

Slide 13 - Slide

Participium: PPP
  • Het participium perfectum passivum kan je het beste vergelijken met een voltooid deelwoord.
  • Het kan dus ook bijvoeglijk worden gebruikt (en gedraagt zich in het Latijn als een bijvoeglijk naamwoord). 

Slide 14 - Slide

Participium: PPP
  • Voorbeeld:
  • pulsare => pulsatus
  • Romanus pulsatus est.
  • De Romein is geslagen
  • Romani pulsati.
  • De geslagen Romeinen. 
  • Vorming van het ppp:
  • Zie bladzijde 150.

Slide 15 - Slide

Euander Arcas fuit, nepos Pallantis, regis Arcadiae.

Slide 16 - Open question

Hic patrem suum occidit, et ob hoc venit ad Italiam.

Slide 17 - Open question

Expulsisque aboriginibus tenuit loca, in quibus nunc est Roma;

Slide 18 - Open question

et parvum oppidum fundavit in monte Palatino.

Slide 19 - Open question

Hic mons dictus est Palatinus a Pallante, avo Euandri,

Slide 20 - Open question

vel a filia Euandri, Pallantea, ab Hercule vitiata, et illic sepulta.

Slide 21 - Open question

Dum ibi aliquamdiu moratur,

Slide 22 - Open question

bovesque, quos occiso Geryone abstulerat, pascit,

Slide 23 - Open question

Cacus, servus Euandri, aliquos furabatur;

Slide 24 - Open question

versis vestigiis cauda ad speluncam traxit,

Slide 25 - Open question

ne vestigia quaerentem ad speluncam ferrent.

Slide 26 - Open question

Quios diu quaesitos, cum Hercules mugitu unius bovis invenisset,

Slide 27 - Open question

Cacum, de spelunca tractum, et fumeam evomentem caliginem, occidit.

Slide 28 - Open question

Opdracht bij de tekst
  • Kleur in elke zin:
  • De persoonsvorm.
  • Andere werkwoordsvormen in een andere kleur.
  • Alle Nominativi in een andere kleur.
  • Alle directe en indirecte objecten ieder in een andere kleur.
  • (Dus: lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp).

Slide 29 - Slide

Aan het werk. 
  • Leer de woordjes en grammatica t/m 11A
  • Maak Taaloefening C.

Dit is ook huiswerk.

Slide 30 - Slide

Wat heb je vandaag geleerd?

Slide 31 - Open question

Wat is nog onduidelijk?
Waar wil je meer over weten?

Slide 32 - Open question