03-03 V5 Neue Kontakte Grammatik Kapitel 3 Dia 27 t/m 40 nog niet

Neue Kontakte Grammatik Kapitel 3 5VWO
1 / 42
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Neue Kontakte Grammatik Kapitel 3 5VWO

Slide 1 - Slide

werkwoorden met vaste naamvallen

Slide 2 - Slide

Werkw. met vaste naamval

Als je de volgende werkwoorden in de zin gebruikt of ziet staan, krijg je twee keer een 1ste naamval.

sein, werden, bleiben
Voorbeeld:
  • Sie sind der Lehrer von meinem Bruder.

Slide 3 - Slide

Werkw. met een 3e naamval

Slide 4 - Slide

Werkw. met een 4e naamval

Slide 5 - Slide

In de volgende slides oefen je met:
- der/ein-Gruppe
- de persoonlijke vnw in de
1e, 3e en 4e naamval
- ontleden
- ww met een vaste naamval

Slide 6 - Slide

De werkwoorden bitten, fragen en es gibt horen bij de ....
A
1e naamval
B
3e naamval
C
4e naamval
D
geen naamval

Slide 7 - Quiz

De werkwoorden sein, bleiben, werden horen bij de .....
A
1e naamval
B
3e naamval
C
4e naamval
D
geen naamval

Slide 8 - Quiz

Voor welke naamval zorgen deze werkwoorden: gefallen, gehören, glauben, gratulieren
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 9 - Quiz

Geef de naamval en de vertaling:
Es gibt [een] Problem (o).
A
ein (1)
B
eine (1)
C
einen (4)
D
ein (4)

Slide 10 - Quiz

Geef de naamval en de vertaling:
Ihr müsst (de) Bienen (mv) helfen.
A
1e - die
B
3e - den
C
4e - die

Slide 11 - Quiz

Geef de naamval en de vertaling:
Diese Katze gehört (haar) Schwester.
A
1e - ihre
B
3e - ihrer
C
4e - ihre

Slide 12 - Quiz

Vul de juiste vorm in.

Hast du [jouw] Onkel schon gratuliert?

Slide 13 - Open question

Geef de naamval en de vertaling:

Er wird nächstes Jahr (mijn) Lehrer.

Slide 14 - Open question

Vul de juiste vorm in:

Das Haus gehört [mijn] Mutter.

Slide 15 - Open question

Vul de juiste vorm in:

Ich glaube [de] Mann nicht.

Slide 16 - Open question

Vul de juiste vorm in:

Es gibt [een] Gemälde (o) in der Halle.

Slide 17 - Open question

Vul de juiste vorm in:

Was schenkt ihr [jullie] Eltern zu Weihnachten?

Slide 18 - Open question

Vul de juiste vorm in:

Welcher Film gefällt [jou] gut?

Slide 19 - Open question

Vul de juiste vorm in:

Wer gibt [jullie] die Tickets?

Slide 20 - Open question

Vul de juiste vorm in:

Wie gefällt [jou] dieses Buch?

Slide 21 - Open question

Naamvallen
Je hebt de naamvallen nu herhaald op basis van de volgende onderdelen:
- voorzetsels met een vaste naamval
-werkwoorden met een vaste naamval
-je kunt het schema van de der/ein-Gruppe gebruiken
- je kunt de persoonlijke vnw in de 1e, 3e en 4e naamval gebruiken

Slide 22 - Slide

Kan je nu de juiste naamval invullen na voorzetsels?
A
Nee, ik snap er niks van maar ik ga zelf meer oefenen.
B
Nee, ik snap er niks van en vraag mijn docent om hulp.
C
Ja, ik snap het helemaal!
D
Ja, ik snap het maar ik moet nog meer oefenen.

Slide 23 - Quiz

Kan je nu de juiste naamval invullen na werkwoorden met een vaste naamval?
A
Nee, ik snap er niks van maar ik ga zelf meer oefenen.
B
Nee, ik snap er niks van en vraag mijn docent om hulp.
C
Ja, ik snap het helemaal!
D
Ja, ik snap het maar ik moet nog meer oefenen.

Slide 24 - Quiz

0

Slide 25 - Video

Zoek de juiste vertalingen van de modale werkwoorden bij elkaar.
können
wollen
dürfen
wissen
müssen
mögen
sollen
möchten
willen
mogen (toestemming)
zullen
mogen (graag zien/lusten)
moeten
zou graag willen
kunnen
weten

Slide 26 - Drag question

Zoek de juiste ik-vormen van de modale werkwoorden bij elkaar.
können
wollen
dürfen
wissen
müssen
mögen
sollen
möchten
weiß
kann
möchte
mag
darf
will
muss
soll

Slide 27 - Drag question

Welke werkwoorden hoorden bij de modale werkwoorden?
können
spielen
möchten
dürfen
heißen
wollen
wissen
wohnen
sollen
haben
mögen
müssen
modale werkwoorden
andere werkwoorden

Slide 28 - Drag question

Modalverben übersetzen:
Vind de juiste vertaling van het modale werkwoord.
Wir möchten den Salat.
Was sollen wir machen?
Wir wollen zahlen.
Wissen Sie es?
weten
zou graag willen
willen
moeten

Slide 29 - Drag question

Modalverben übersetzen:
Vind de juiste vertaling van het modale werkwoord.
Dürfen wir hier parken?
Können Sie mir helfen?
Mögen Sie diese Musik?
Wir müssen gehen.
mogen
kunnen
houden van
moeten

Slide 30 - Drag question

Zoek de juiste uitgangen (v.t.) van de modale werkwoorden bij elkaar.
ich konn-
wir woll-
du durf-
ihr wuss-
er muss-
sie konn-
sie wuss-
ten
test
te
ten
te
 te
tet

Slide 31 - Drag question

Modale werkwoorden
können
müssen
wollen
wissen
dürfen
mogen, toestemming hebben 
weten
kunnen
willen
moeten 
( noodzaak)

Slide 32 - Drag question

Bij ich, du, er/sie/es komt er geen uitgang achter de stam.
Bij het werkwoord möchten verandert de stamklinker niet.
Het Duitse hulpwerkwoord mögen heeft als Nederlandse betekenis mogen.
Modale hulpwerkwoorden kun je in het meervoud met de (fe)esttenten regel vervoegen.
Falsch
Richtig
Richtig
Richtig

Slide 33 - Drag question

Bij ich, du en er/sie/es komt er geen uitgang achter de stam.
Bij het werkwoord sollen verandert de stamklinker niet.
Modale hulpwerkwoorden geven extra betekenis aan het hoofdwerkwoord.
Modale hulpwerkwoorden kun je in het meervoud met de (fe) esttenten regel vervoegen.
Falsch
Richtig
Richtig
Richtig

Slide 34 - Drag question

modale werkwoorden
Sander ...... (können) dir helfen.
A
kann
B
könnt
C
können
D
kannst

Slide 35 - Quiz

Modale werkwoorden
Maxine ..... (müssen) noch viel lernen.
A
muss
B
müss
C
müssen
D
musst

Slide 36 - Quiz

Modale werkwoorden
Ihr _____ diese Aufgabe machen.
A
muss
B
musst
C
müssen
D
müsst

Slide 37 - Quiz

Maak af:
modale werkwoorden hebben in de verleden tijd nooit_______
A
klankverandering
B
een Umlaut
C
een uitgang
D
alle 3 de voorgaande mogelijkheden.

Slide 38 - Quiz

Modale werkwoorden
Du ..... (wissen) es bestimmt!
A
weiß
B
weißen
C
wissen
D
weißt

Slide 39 - Quiz

Modale werkwoorden
_____ Sie wie spät es ist?
A
weiß
B
weißt
C
wissen
D
wisst

Slide 40 - Quiz

Stel hier een vraag over de inhoud van deze les.

Slide 41 - Open question

Slide 42 - Slide