Woordenschatles: Soep Koken

Woordenschatles


soep koken

1 / 16
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1Leerroute 2

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Woordenschatles


soep koken

Leerdoel

Aan het einde van de les kun je woorden over soep koken begrijpen en gebruiken.

Wat weet je al over soep koken?

doen

Betekenis: Iets uitvoeren, een actie maken.


Vervoeging: ik doe, jij doet, hij doet, wij doen.


Zin: Ik doe water in de pan.

nodig hebben

Betekenis: Iets moeten hebben om iets te doen.


Vervoeging: ik heb nodig, jij hebt nodig, hij heeft nodig, wij hebben nodig.


Zin: Ik heb een pan nodig.

klaar

Betekenis: Af, gereed.


Zin: De soep is klaar.

koken

Betekenis: Iets warm maken in water of een andere vloeistof.


Vervoeging: ik kook, jij kookt, hij kookt, wij koken.


Zin: Ik kook de soep.

de liter

Betekenis: Een maat voor vloeistof.


Meervoud: de liters.


Zin: Ik koop een liter melk.

snijden

Betekenis: In stukken maken met een mes.


Vervoeging: ik snijd, jij snijdt, hij snijdt, wij snijden.


Zin: Hij snijdt de ui.

de minuut

Betekenis: 60 seconden.


Meervoud: de minuten.


Zin: De soep kookt 10 minuten.

de pan

betekenis: Een voorwerp om in te koken.


meervoud: de pannen


zin: Waar staat de pan?

de tomaat

Betekenis: Een rode groente of vrucht.


Meervoud: de tomaten


Zin: Ik koop tomaten.

de ui

Betekenis: een groente met een sterke geur en smaak.


Meervoud: de uien


Voorbeeldzin: Ik eet geen ui.

het zout

Betekenis: Een witte stof die eten meer smaak geeft.


Zin: Ik doe zout in de soep

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Wat heb je nodig om soep te koken?