Quiz Economie algemene kennis

Algemene economische kennis 

1 / 24
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Algemene economische kennis 

Wat is een voorbeeld van een consumentenorganisatie?

A

Blokker

B

Jumbo

C

ANWB

D

Makro

In welk jaar werd de euro ingevoerd?

A

2000

B

2001

C

2002

D

2003

Wat is de munteenheid van Japan?

A

Yen

B

Dollar

C

Yuan

D

Dinar

Alle EU landen hebben dezelfde munten?

A

Waar

B

Niet waar

C


D


Wie is op dit moment de (demissionair) minister van Financiën?

A

Eric Wiebes

B

Eelco Heijnen

C

Dick Schoof

D

Mark Rutte

Wat betekent de zin hiernaast?

A

Als je geld leent krijg je geld

B

Je betaalt rente als je geld leent

C

Je ontvangt rente als je geld leent

D

Je hoeft niets terug te betalen

Hoeveel landen betalen met de euro?

A

12 landen

B

28 landen

C

8 landen

D

20 landen

Welk begrip past bij de volgende omschrijving? "De mate waarin je in je behoefte kunt voorzien"

A

Behoeften

B

Economie

C

Prioriteiten

D

Welvaart

Wat is chartaal geld?

A

Geld dat bestaat uit munten en bankbiljetten

B

Geld dat op je betaalrekening staat

C

Geld dat op je spaarrekening staat

D

Alleen muntgeld

Van wie komt de vraag naar arbeid?

A

De beroepsbevolking

B

De werkgevers

C

De werknemers

D

De werklozen

Vanaf welke leeftijd kun je een creditcard aanvragen?

A

10 jaar

B

16 jaar

C

18 jaar

D

21 jaar

... geeft je vleugels

A

Coca Cola

B

Fanta

C

Red Bull

D

KitKat

Hoeveel procent btw betaal je in Nederland op voedsel?

A

3%

B

6%

C

9%

D

21%

Om in je behoeften te kunnen voorzien heb je middelen nodig. Welke middelen zijn er?

A

Geld en ruimte

B

Ruimte en tijd

C

Tijd en gezondheid

D

Geld en tijd

Hoe noem je de lening voor het kopen van een huis?

A

Salariskrediet

B

Hypothecaire lening

C

Doorlopend krediet

D

Persoonlijke lening

Als je salaris krijgt dan ontvang je op je rekening ...

A

Brutoloon

B

Nettoloon

C

Premie

D

Bedrijfskosten

Is er dit jaar (2024) een begrotingstekort of begrotingsoverschot?

A

Begrotingstekort

B

Begrotingsoverschot

C


D


Waar of niet waar? Bij een begrotingsoverschot moet de overheid geld lenen

A

Waar

B

Niet waar

C


D


Wat is consumeren?

A

producten kopen.

B

Je behoefte vervullen door iets te kopen.

C

Een verzekering afsluiten.

D

Een sprookje vertellen.

Welke van de twee is een electrische betaling?

A

IDeal

B

Contactloos

C

Beide

D

Geen

Hoe bereken je je nieuwe saldo?

A

oud saldo + ontvangsten - uitgaven

B

oud saldo - ontvangsten - uitgaven

C

oud saldo - ontvangsten + uitgaven

D

oud saldo + ontvangsten + uitgaven

Wat is het verschil tussen goederen en diensten?

A

Goederen kan je kopen in een winkel, een dienst niet

B

Goederen worden in combinatie gekocht met diensten

C

Goederen zijn tastbaar, diensten niet

D

Diensten moet je aanvragen

Wat is geen productiefactor?

A

Kapitaal

B

Arbeid

C

Loon

D

Natuur