3H - les 27 - STG

3H1 - 22 de noviembre, 2021 - STG
1 / 12
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

3H1 - 22 de noviembre, 2021 - STG

Slide 1 - Slide

Programa

  • SO Unidad 6
  • Leemos 
  • Voorzetsels
  • A trabajar
  • Deberes

Slide 2 - Slide

- lees & luisterfragment
- woordjes 6.1, 6.2, 6.3 NL-SP
- Roze werkwoordenblad 25 t/m 50 SP-NL
- Futuro
- Regelmatige ww vervoegen
- Wederkerende ww vervoegen
- Onregelmatige ww vervoegen
- Perfecto regelmatige & onregelmatige
- Voorzetsels
- Aanwijzend voornaamwoord

Woensdag 15 december

Slide 3 - Slide

Leemos SUAVEMENTE
  1. Werkblad
  2. Opdrachten achterin
  3. Deadline = 20 januari
timer
15:00

Slide 4 - Slide

Wat versta jij onder 'voorzetsels'?

Slide 5 - Mind map

Voorzetsels in het Spaans
Wat zijn dat ook al weer...?  Welke voorzetsels ken jij in het Nederlands?



Slide 6 - Slide

Voorzetsels
Bestudeer de verschillen / betekenis van de voorzetsels:
A, De, En, Con , Por , Para
A --> gaat vaak samen met IR
De --> gaat vaak samen met SER
En --> gaat vaak samen met ESTAR
En --> gebruik bij vervoer!!!

Slide 7 - Slide

DE
EN
A
CON
POR
PARA
MET
IN / MET DE
UIT/ VAN / MET
VOOR IETS OF IEMAND
NAAR
DOOR, PER, OVER; BIJ DAGDELEN/ OORZAKEN/ VERVANGING

Slide 8 - Drag question

Welk voorzetsels? A , DE, CON , EN , POR of PARA ?
1. ESTE VERANO VAMOS ____ VISITAR ESPAÑA.
2. LOS FINES DE SEMANA ESTUDIAMOS ____ LA BIBLIOTECA.
3. VOY____LA PISCINA ____MI HERMANO.
4. ESE COCHE ROJO QUE ESTÁ AHÍ, ES____ SU MADRE.

Slide 9 - Open question

Welk voorzetsels? A , DE, CON , EN , POR of PARA ?
1. ____ la mañana el futbolista entrena tres horas sin parar.
2. tengo este regalo, es _____ mi abuela.
3.Voy ____ coche ____instituto.
4. El cajero automático ______supermercado está roto

Slide 10 - Open question

Voorzetsels
Bestudeer de verschillen / betekenis van de voorzetsels:
A, De, En, Por , Para, Con

Página 82
Haz. ejercicio 26/ 27/ 28/ 29

Slide 11 - Slide

Antwoorden
VB: Nosotros empezamos a trabajar A las ocho DE la mañana
  1. José no trabaja POR la tarde
  2. Isabel trabaja DE las diez A las cuatro
  3. Los domingos POR la mañana  voy a jugar al fútbol
  4. Los martes comemos chile CON carne y burritos
  5. Pedro va al trabajo EN coche
  6. Mi hermanito va A la escuela POR la mañana
  7. Tu mamá sale de casa A las ocho y va EN autobús a su trabajo.
  8. Este bocadillo de jamón no es PARA ti. Es PARA tu hermano.
  9. Voy al panadería A comprar pan PARA mi mamá
  10. Somos DE la provincia de Extremadura y viajamos DE Madrid
Gebruik: 
de, con, por, para,
en

Slide 12 - Slide