Taal Compleet 5.6
Learning objective
Taal Compleet 5.6
Learning objective
streng
Betekenis: iemand die veel regels heeft en verwacht dat mensen die volgen.
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeldzin: De leraar is streng en verwacht dat iedereen op tijd komt.
het onderwijs
Betekenis: alles wat te maken heeft met lesgeven en leren op school.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Voorbeeldzin: Het onderwijs in Nederland is voor iedereen toegankelijk.
de fabriek
Betekenis: een groot gebouw waar producten worden gemaakt door mensen en machines.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de fabrieken
Voorbeeldzin: Mijn vader werkt in een fabriek waar auto's worden gemaakt.
verdienen
Betekenis: Recht hebben op dat wat je krijgt. Bijv: geld krijgen voor werk dat je doet.
Woordsoort: werkwoord
Voorbeeldzin: Zij verdient haar geld als verpleegkundige.
de machine
Betekenis: een apparaat dat werk doet of helpt bij werk.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de machines
Voorbeeldzin: De machines in de fabriek maken honderden producten per dag.
dood
Betekenis: niet meer levend.
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeldzin: De boom is dood en krijgt geen bladeren meer.
de regering
Betekenis: de groep mensen die een land bestuurt.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de regeringen
Voorbeeldzin: De regering maakt plannen voor de toekomst van het land.
de wet
Betekenis: een officiële regel die voor iedereen geldt.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de wetten
Voorbeeldzin: Je moet je aan de wet houden.
vasthouden
Betekenis: iets of iemand niet loslaten.
Woordsoort: werkwoord
Voorbeeldzin: Houd de tas goed vast in de trein.
de straf
Betekenis: een maatregel die iemand krijgt als hij of zij iets verkeerd heeft gedaan.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de straffen
Voorbeeldzin: Voor te hard rijden kreeg hij een straf.
de hoek
Betekenis: de plaats waar twee muren, lijnen of straten samenkomen.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de hoeken
Voorbeeldzin: De stoel staat in de hoek van de kamer.
sloegen (van slaan)
Betekenis: raakten iemand of iets hard met de hand of een voorwerp.
Woordsoort: werkwoord (verleden tijd van slaan)
Voorbeeldzin: De kinderen sloegen de bal over het net.
de stok
Betekenis: een lange, dunne staaf of tak van hout of ander materiaal.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de stokken
Voorbeeldzin: De wandelaar gebruikte een stok tijdens de tocht.
gewoon
Betekenis: normaal, niet bijzonder.
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord of bijwoord
Voorbeeldzin: Het was een gewone dag op school.