Hoofdstuk 2: Jongeren

Hoofdstuk 2: Jongeren
Paragraaf 1: Hoe word je wie je bent?
1 / 41
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 3

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Hoofdstuk 2: Jongeren
Paragraaf 1: Hoe word je wie je bent?

Slide 1 - Slide





Aangeboren of aangeleerd?

Slide 2 - Slide

Aangeboren kenmerken
Erfelijk gedrag, het zit in je genen


Bijvoorbeeld:
  • Talent
  • Verlegenheid
  • ADHD

Slide 3 - Slide

Aangeleerde kenmerken
Gedrag dat je door je omgeving aangeleerd krijgt.


Bijvoorbeeld:
  • Je eet met mes en vork.
  • Je komt op tijd in de les.
  • Je hebt respect voor anderen

Slide 4 - Slide

Soms is gedrag zowel aangeboren als aangeleerd....
Voorbeeld: boerenkool eten

Aangeboren = de behoefte aan eten

Aangeleerd = de manier waarop je eet (bv met bestek) en wat je eet (bv “Hollandse pot”) 

Voorbeeld: Nederlands praten
Aangeboren = de klank
Aangeleerd = de taal

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

Omgeving en cultuur
  • Je leert van je directe omgeving: familie of school. 

  • Maar je leert ook alle regels en gebruiken van maatschappij waartoe je hoort

  • Je gaat je gedragen naar deze cultuur

Slide 7 - Slide

Vragen bij filmpje...
- Welk gedrag is aangeboren?
- Welk gedrag is aangeleerd?

Slide 8 - Slide

Cultuur

Alle normen, waarden en gewoonten 
die mensen samen in een bepaalde groep 
of samenleving met elkaar delen.

Slide 9 - Slide

Socialisatie
  • Het bewust of onbewust aanleren van normen, waarden en gewoonten die bij jouw groep of samenleving horen heet socialisatie.

  • Hierin zit het woord sociaal wat te maken heeft met hoe mensen met elkaar omgaan

Slide 10 - Slide

Waar vindt socialisatie plaats?
  • In het gezin.
  • Op school. 
  • Door je vrienden.
  • Op sportclubs.
  • Op je werk.
  • Door je geloof.
  • Door media.
  • Door de overheid.

(Hoe dan? Verzin bij ieder puntje een voorbeeld. VB: School = op tijd komen)

Slide 11 - Slide

Nature+nurture debat
Word je gedrag nu meer bepaald door aangeboren eigenschappen of aangeleerde eigenschappen? (= nature+nurture debat)

  • Nature = de meeste eigenschappen die je hebt zijn aangeboren.
  • Nurture = de meeste eigenschappen die je hebt zijn aangeleerd.

Slide 12 - Slide

Socialisatie betekent dat mensen:
A
kenmerken van een groep aanleren.
B
allemaal dezelfde normen en waarden aanleren
C
verschillende culturen leren kennen.
D
alle aangeboren eigenschappen afleren.

Slide 13 - Quiz

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. Socialisatie is het aanleren van kenmerken als waarden, normen en gewoonten.
2. Socialisatie gaat bewust en onbewust.
A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist

Slide 14 - Quiz

Vanaf welke leeftijd begint socialisatie?
A
Vanaf 18 jaar, want dan ben je meerderjarig.
B
Vanaf vier jaar, want dan ga je naar school.
C
Vanaf de geboorte.
D
Vanaf het moment dat een kind kan praten en anderen verstaat.

Slide 15 - Quiz

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. Door socialisatie leer je welk gedrag anderen van jou verwachten.
2. Socialisatie en cultuur staan los van elkaar.
A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist

Slide 16 - Quiz

Veel organisaties hebben invloed op iemands waarden, normen en gedrag.

Welke is het belangrijkst voor kleine kinderen?
A
Het gezin
B
De media
C
Het geloof
D
School

Slide 17 - Quiz


Op welke manier vindt socialisatie plaats? (dus: op welke manieren leren we waarden en normen aan?)

  • Via informatie: bv. hoe bak ik een ei?
  • Via imitatie: onbewust iemand nadoen. Bv. scheldwoord overnemen.
  • Via ervaringen: Bv. als je ooit je portemonnee bent verloren, zal je voortaan beter opletten.
  • Via experimenteren: Bv. als je voor het eerst een tosti bakt en hij brandt aan, weet je dat je dat de volgende keer anders moet doen. 

Slide 18 - Slide

Sociale controle
Als wij waarden en normen aangeleerd krijgen, vindt er sociale controle plaats: mensen letten erop of jij je wel houdt aan deze waarden en normen.

Bij sociale controle maken we gebruik van sancties: het belonen of straffen als je je niet (of juist wel) aan de waarden en normen houdt.
  • Bv. boete als je te hard rijdt = straf 
  • Bv. voldoende voor je toets als je goed geleerd hebt = beloning 

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Allemaal leuk en aardig, maar ik dan?
  • Tijdens het hele proces ontwikkel je ook jezelf: 'je eigen ik'

  • Dit heet je identiteit: de persoon die jij bent, gevormd door alle kenmerken die bij jou horen, je ervaringen en je omgeving

Slide 21 - Slide

Rolgedrag
Door socialisatie ontwikkelen we ook rolgedrag: gedrag dat je van iemand in een bepaalde situatie verwacht. 
  • Bv. een verkoopster hoort vriendelijk te zijn. 

We hebben allemaal verschillende rollen. 

  • Bv. je bent docent, maar ook moeder, zus, baasje van een hond, klant in een winkel, etc.  

Slide 22 - Slide

Rolbevestigend/ Roldoorbrekend
Op het moment dat je een rol aanneemt die iedereen van je verwacht heet dat rolbevestigend
  • Bv. van een huisvrouw verwacht je dat ze kookt. 

Als je juist een rol aanneemt die niemand van je verwacht heet dat roldoorbrekend
  • Bv. een docent die in de les opeens gaat staan dansen op tafel. 

Slide 23 - Slide

Bij sociale controle:
A
letten mensen op hoe jij je gedraagt.
B
controleren mensen elkaars waarden.
C
verdedigt iedereen zijn belangen.
D
gaat het vooral om het afleren van aangeboren eigenschappen.

Slide 24 - Quiz

Een ander woord voor beloning en straf is …

Welk woord is weggelaten?
A
aangeleerd
B
eigenschap
C
sanctie
D
imitatie

Slide 25 - Quiz

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. Boodschappen doen voor je buren is een positieve sanctie.
2. Sancties hebben te maken met sociale controle.
A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist.

Slide 26 - Quiz

Als normen en waarden een vanzelfsprekend gedeelte van je gedrag zijn geworden, is er sprake van:
A
een sanctie.
B
sociale controle.
C
imitatie
D
internalisatie

Slide 27 - Quiz

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. Als internalisatie heeft plaatsgevonden, is de socialisatie gelukt.
2. Als normen en waarden geïnternaliseerd zijn, ben je volwassen.
A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist.

Slide 28 - Quiz

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. Als een kind een ander kind nadoet, is er sprake van experimenteren.
2. Op de kleuterschool leren kinderen vooral door ervaringen nieuwe dingen.
A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist.

Slide 29 - Quiz

Je identiteit is een combinatie van je ervaringen en je ...

Welk woord is of welke woorden zijn weggelaten?
A
aangeboren eigenschappen.
B
sociale controle.
C
aangeleerde eigenschappen.
D
kennis

Slide 30 - Quiz

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. Met identiteit bedoelen we dat de internalisatie is afgerond.
2. Iemand zegt: “Ik ben gelovig.” Hij spreekt dan over zijn internalisatie.
A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist.

Slide 31 - Quiz

Wat is normaal?
Wat voor de ene persoon normaal is hoeft voor een ander niet normaal te zijn. Hoe komt dat?
...

Omdat de normen en waarden van mensen verschillen. Hoe groter het verschil, hoe abnormaler je iemand vindt. Je bent dan niet zo tolerant.

Slide 32 - Slide

Waarden en normen
Waarden en normen kunnen ook verschillen per groep. Als je sterk het gevoel hebt dat je je MOET aanpassen om erbij te horen is er sprake van groepsdruk. Dat gebeurt vooral bij jongeren.


Soms willen jongeren zich niet aanpassen. Ze worden dan soms gepest. Als dat via sociale media gaat heet dat cyberpesten.

Slide 33 - Slide

Generatieconflict
Soms botsen de waarden en normen van kinderen heel erg met die van hun ouders. Er ontstaat dan een generatieconflict: een meningsverschil door een verschil in leeftijd. 

  • Bv. ouders die niet snappen waarom je altijd met je telefoon bezig bent. Zij hadden er namelijk geen toen ze jong waren. 

Slide 34 - Slide

Opdrachten
Blz 22 :2/4
Blz 23: 7/ 8

Blz 24: 10

Slide 35 - Slide

Opdrachten
Blz 22 :2/4
Blz 23: 7/ 8

Blz 24: 10

Slide 36 - Slide

Hoofdstuk 2: Jongeren
Paragraaf 4: bij welke groep hoor je?

Slide 37 - Slide

Waarom vormen mensen een groep?
Dit heeft veel te maken met identificatie: je herkent bepaalde kenmerken van jezelf bij een ander.
  •  vb. jullie houden van dezelfde soort muziek  

Daarnaast heb je ook groepsidentificatie: Je voelt je dan verbonden met een groep mensen omdat je dezelfde kenmerken hebt.
  •  vb. je voetbalteam omdat je allemaal voetbal leuk vindt 

Slide 38 - Slide

Verbondenheid
Er zijn verschillende redenen om je verbonden te voelen met bepaalde groepen, namelijk:

- Plaats waar je woont of geboren bent

- Je geloof 

- Mensen die hetzelfde belang/probleem als jou hebben (vb. vertraging van de trein)
- Interesses

Slide 39 - Slide

Jongerencultuur
Als jongeren veel interesses met elkaar delen noemen we dat: jongerencultuur: een groep jongeren met dezelfde waarden, normen en gewoonten


Vb. skaters, gabbers en gamers

Slide 40 - Slide

Wij/zij-gevoel
Als mensen in een groep zich sterk met elkaar verbonden voelen noemen wij dat een wij-gevoel.
Vb. Ajax supporters zullen na een gewonnen wedstrijd zeggen ‘wij hebben gewonnen’


Daarnaast is er ook een zij-groep. Dat zijn dan de ‘anderen’.
Vb. De tegenstander van Ajax tijdens een wedstrijd

Slide 41 - Slide