PRETÉRITO PERFECTO Herhaling (Regelmatige voltooid deelwoorden)

¿Qué has hecho en las vacaciones de verano?

El presente perfecto
(Voltooid tegenwoordige tijd) 
1 / 31
next
Slide 1: Slide
SpaansVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 7

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

¿Qué has hecho en las vacaciones de verano?

El presente perfecto
(Voltooid tegenwoordige tijd) 

Slide 1 - Slide

Plattegrond Mavo 3 Spaans

Slide 2 - Slide

Huiswerk Controleren

Slide 3 - Slide

Objetivos de la clase/ Lesdoelen

Aan het einde van de les (week) kun je:
  • weten hoe je werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegt (Wb p. 15).
  • begrijpen wanneer je de voltooid tegenwoordige tijd moet gebruiken 
  • begrijpen hoe je deze moet vormen: Uitlegvideo, oefeningen
  • vertellen wat je hebt gedaan op de zomer vakantie
D Gramática: Libro p. 10, WB p. 13-18

Slide 4 - Slide

Huiswerk nakijken
Presente
Libro de ejercicios p. 15: Ejercicios 12 a y b
Yo
Él/ella
Nosotros (as)
Vosotros(as)
Ellos (as)/ustedes
Pasar, hablar, comprar buscar
Beber, comer
Escribir, vivir

Slide 5 - Slide

El presente - verbos regulares

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

hablar (praten), escuchar (luisteren) bailar (dansen) 
caminar (lopen)
estudiar (leren)
llegar (aankomen) 
tocar (muziek spelen) 
trabajar (werken)
viajar (reizen)
cerrar (dicht doen)
saltar (springen)
comprar (kopen)
enseñar (laten zien)
visitar (bezoeken)
buscar (zoeken)
ganar (winnen/ verdienen)
pasar (doorbrengen)
tomar (nemen/ drinken)
cocinar (Koken)
entrar (naar binnen gaan)



leer (lezen)
aprender (leren)
beber (drinken)
comer (eten)
vender (verkopen)
conocer (leren kennen)
Romper (breken)
ver (zien)

vivir (wonen)
abrir (open maken)
escribir (schrijven)
salir (weggaan/ uitgaan)
ir (gaan)
cubrir (bedeken)
resistir (zich  verzetten)
Regelmatige werkwoorden
-ar, -er, -ir
      -ar                -er                  -ir

Slide 8 - Slide


hablar (praten), escuchar (luisteren) bailar (dansen) 
caminar (lopen)
estudiar (leren)
llegar (aankomen) tocar (muziek spelen) 
trabajar (werken)
viajar (reizen)
cerrar (dicht doen)
saltar (springen)
comprar (kopen)
enseñar (laten zien)
visitar (bezoeken)
buscar (zoeken)
ganar (winnen/ verdienen)
pasar (doorbrengen)



leer (lezen)
aprender (leren)
beber (drinken)
comer (eten)
vender (verkopen)
conocer (leren kennen)


vivir (wonen)
escribir (schrijven)
salir (weggaan/ uitgaan)
ir (gaan)
reir (Lachen)

Regelmatige Voltooid deelwoord
      -ar                -er                  -ir

Slide 9 - Slide

0

Slide 10 - Video

El presente perfecto = De voltooid tegenwoordige tijd...
maak je met een hulp ww en een voltooid deelwoord: 
uitgang:

Slide 11 - Slide

(estar)
(leer)
(beber)
(visitar)
(trabajar)

Slide 12 - Slide

Huiswerk nakijken
Presente perfecto

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Libro de ejercicios p. 15
Ejercicios 13 a y b
timer
2:00

Slide 16 - Slide

timer
2:00
YO
El perro, Carola (Él, ella)
Yo y mis amigos (Nosotros)
Tú y tu amiga (Vosotros/as)
Los estudiantes, las chicas (Ellos, ellas, ustedes)
He
has
ha
hemos
habéis
han

Slide 17 - Drag question

Huiswerk nakijken
Presente perfecto

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

EL PARTICIPIO PASADO DE
ESCUCHAR (Luisteren)
ES...
A
ESCUCHADO
B
ESCUCHIDO

Slide 20 - Quiz

EL PARTICIPIO PASADO DE
HABLAR (praten)
ES...
A
HABLIDO
B
HABLADO

Slide 21 - Quiz

EL PARTICIPIO PASADO DE
COMER (eten)
ES...
A
COMIDO
B
COMADO

Slide 22 - Quiz

EL PARTICIPIO PASADO DE
BEBER (drinken)
ES...
A
BEBADO
B
BEBIDO

Slide 23 - Quiz

EL PARTICIPIO PASADO DE
DORMIR (slapen)
ES..
A
DORMIDO
B
DORMADO

Slide 24 - Quiz

EL PARTICIPIO PASADO DE
VIVIR (wonen)
ES..
A
VIVADO
B
VIVIDO

Slide 25 - Quiz

Libro de ejercicios p. 16, 17, 18
Ejercicios 13 c en d
Ejercicios 14 a, b, c en d
Ejercicios 15 a en B 
timer
10:00

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Pretérito Perfecto

Slide 28 - Slide

Wat hebben we vandaag geleerd?

Slide 30 - Mind map

¡Hasta la próxima clase!

Slide 31 - Slide