Controlevragen par 2: Rechtsstaat

Controlevragen par. 2 rechtsstaat
Heb je de vragen van Par.2 gemaakt dan volgen hier een aantal controlevragen.
1 / 10
next
Slide 1: Slide
Maatschappijleer HAVOVoortgezet speciaal onderwijs

This lesson contains 10 slides, with interactive quizzes and text slide.

Items in this lesson

Controlevragen par. 2 rechtsstaat
Heb je de vragen van Par.2 gemaakt dan volgen hier een aantal controlevragen.

Slide 1 - Slide

Wat is noodzakelijk in een rechtsstaat?
I. De wetgevende en rechterlijke macht zijn gescheiden.
II. Het legaliteitsbeginsel is van toepassing.
III. Er is een grondwet opgesteld.
IV. De bevolking heeft klassieke grondrechten.

A
I, II en III zijn juist.
B
I, III en IV zijn juist.
C
III en IV zijn juist.
D
Alle antwoorden zijn juist.

Slide 2 - Quiz

I. Regering en parlement behoren tot de wetgevende macht.
II. De Tweede Kamer maakt deel uit van de uitvoerende macht.

A
I is juist, II is onjuist.
B
I en II zijn beide juist
C
I is onjuist, II is juist.
D
I en II zijn beide onjuist.

Slide 3 - Quiz

In de grondwet staat beschreven:
I. dat alle burgers in gelijke gevallen gelijk worden behandeld.
II. op welke misdrijven gevangenisstraf staat.
III. wat de straffen op het overtreden van sociale grondrechten zijn.
A
Alleen I is juist.
B
II en III zijn juist.
C
I en II zijn juist.
D
Alle antwoorden zijn juist

Slide 4 - Quiz

Welke macht beslist dat de maximumstraffen voor misdrijven omhooggaan?
A
De wetgevende macht.
B
De uitvoerende macht.
C
De rechterlijke macht.
D
Volgens de ‘checks and balances’: de wetgevende en rechterlijke macht.

Slide 5 - Quiz

Het doel van de trias politica is dat:
A
burgers hun belangen beter kunnen verdedigen.
B
politici meer bevoegdheden krijgen om te besturen.
C
burgers en overheid evenveel macht krijgen.
D
burgers beschermd worden tegen de overheid.

Slide 6 - Quiz

I. Sociale grondrechten zijn rechten die bij de rechter zijn
af te dwingen.
II. Klassieke grondrechten zijn rechten die door de overheid worden gegarandeerd.

A
I is juist, II is onjuist.
B
I en II zijn beide juist.
C
I is onjuist, II is juist.
D
I en II zijn beide onjuist.

Slide 7 - Quiz

Wat betekent de ne bis in idem-regel?
A
Je kunt alleen gestraft worden voor overtreding van regels die in de wet staan en die voor iedereen gelden
B
Een verdachte kan via de rechter zijn sociale grondrechten afdwingen.
C
De maximale straf die een rechter kan opleggen is wettelijk vastgelegd
D
Je kunt niet twee keer voor hetzelfde strafbare feit worden vervolgd.

Slide 8 - Quiz

I. De vrijheid van meningsuiting is een klassiek grondrecht.
II. Het kiesrecht is een klassiek grondrecht.

A
1 is juist, II is onjuist.
B
I en II zijn beide juist.
C
I is onjuist, II is juist.
D
I en II zijn beide onjuist.

Slide 9 - Quiz

Volgens het principe van de trias politica:
A
leggen rechters wettelijk vast wat strafbaar is.
B
controleren rechters de beslissingen van de Tweede Kamer.
C
zijn rechters onafhankelijk van de regering.
D
bepalen rechters het legaliteitsbeginsel.

Slide 10 - Quiz