M1D hoofdstuk 4

1 / 23
next
Slide 1: Slide
SpaansMBOStudiejaar 1

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Bienvenidos!

Slide 2 - Slide

TO DO tot de zomer
  • hoofdstuk 4 (3 juni)  

  • Menukaart taalrestaurant (inleveren via Teams - deadline 5 juni 

  • Taalrestaurant (15-19 juni)

Slide 3 - Slide

Taalrestaurant
Tijdens examenweek 15-19 juni 

In tweetallen (maar: toets is individueel) 




Slide 4 - Slide

De 6 stappen


1. Gasten ontvangen en begroeten
2. Gasten placeren en drankje opnemen
3. Menukaart aanbieden en toelichten
4. De bestelling opnemen
5. Het voorgerecht serveren
6. Afronden

Slide 5 - Slide

Ik kan iets bestellen
Ik kan een bestelling opnemen
Ik kan bestalen
Ik kan mijn mening geven over het eten
Unidad 4 - En el restaurante

Slide 6 - Slide

leren voor de toets hoofdstuk 4
  • woordenschat hoofdstuk 4 
  • grammatica gustar  
  • grammatica estar rico/salado/picante/etc. (zie ook slide 19-20 van deze powerpoint) 

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Video

het werkwoord
Gustar

Slide 9 - Slide

Gusta/ gustan
Gebruik je om te zeggen dat: 
  • je het eten wel/niet lekker vindt
  • iets je wel of niet bevalt
  • je ergens wel/niet van houdt 
  • je iets wel/niet leuk vindt 
Me gusta el fútbol / Me gusta bailar / Me gustan las cervezas / Me gusta hablar español / Me gustan las chicas de mi clase. 

Slide 10 - Slide

Gusta/ gustan
  • Me gusta / gustan = ik vind ...... leuk / lekker 
  • Te gusta / gustan = jij vindt ....... leuk/lekker
  • Le gusta / gustan = hij / zij / u vindt ..... leuk/lekker 
       Met naam erbij: A Luis le gusta ... 

Het werkwoord is dus voor alle personen hetzelfde en heeft maar 2 vormen: gusta of gustan 

Slide 11 - Slide

Importante = belangrijk 
Me gusta + el/la + zelfstandig naamwoord enkelvoud  
                     + werkwoord


Me gustan + los/las + zelfstandig naamwoord meervoud 

Slide 12 - Slide

Me gustan las manzanas.
Wie?

Wat? 
Het ding waar ik van hou (appels) is meervoud > gustaN

Slide 13 - Slide

Te gusta bailar. 
Wie?
Jij
What?
to dance
Het ding waar ik van hou is een werkwoord > gustA

Slide 14 - Slide

Me gusta el español.
Wie?
Ik
Wat?
Het ding waar ik van hou is enkelvoud (el español) > gustA
Maar: Me gustan el español y el alemán.

Slide 15 - Slide


* (A mí) me...………... el color rojo.


timer
0:15
A
gustan
B
gusta
C
gusto
D
gustas

Slide 16 - Quiz

(A Juan).........................gusta cantar.


timer
0:15
A
me
B
le
C
les
D
nos

Slide 17 - Quiz

(a ti).............el deporte.
timer
0:15
A
te gusta
B
te gustas
C
te gustan
D
te gusto

Slide 18 - Quiz

Om te zeggen of eten lekker is ... está(n)

El pescado está rico. 
La paella está rica.
Los helados están ricos.
Las patatas fritas están ricas. 


Slide 19 - Slide

Vocabulario - hablar sobre la comida
rico
caliente
delicioso
frío
picante
salado
soso
amargo
dulce
demasiado...
lekker
warm
heerlijk
koud
pittig
zout
flauw
bitter
zoet
te ... 

Slide 20 - Slide

Qué tal ... ? 
Qué tal el chocolate? 
El chocolate está rico / delicioso

Qué tal la cerveza? 
La cerveza está caliente / fría 

Qué tal ... ? 

Slide 21 - Slide

¿Cómo se dice en español...?

- Wat gaat u bestellen?                        ¿Qué va a tomar?
- Een limonade, alstublieft.                 Una limonada, por favor
- Anders nog iets?                             ¿Algo más? 
- De rekening, alstublieft.                    La cuenta, por favor
- Eet smakelijk!                                         ¡Buen provecho!

Slide 22 - Slide

palabras del día

Slide 23 - Slide