Quiz Thema DNA: BS 1 2 3

Quiz Thema DNA: BS 1 2 3

Herhaling BS 1 en 2. Pijling beginsituatie bs 3.

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologie klas 2Secondary Education

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Quiz Thema DNA: BS 1 2 3

Herhaling BS 1 en 2. Pijling beginsituatie bs 3.

This item has no instructions

  1. In welke structuur van een menselijke lichaamscel bevindt zich het grootste deel van het DNA?

A

Ribosomen

B

Celkern

C

Mitochondrium

D

Cytoplasma

This item has no instructions

Een DNA-molecuul is opgeboud uit nucleotiden. Schrijf de drie onderdelen van een nucleotide op.

This item has no instructions

  1. In DNA komen vier verschillende stikstofbasen voor.. Schrijf deze vier basen op.

This item has no instructions

4.In een DNA-molecuul vormt adenine altijd een paar met thymine. Leguit waarom Cytosine alltijd paart met Guanine.

4a. Leg uit waarom cytosine altijd paart met guanine. (2p)

cytosine en guanine passen specifiek op elkaar (vorm / structuur) → 1p

doordat ze complementair zijn / drie waterstofbruggen vormen → 1p

  1. Hoe wordt de ruimtelijke structuur van DNA genoemd?


A

Dubbele Cirkel

B

Eiwitketen

C

Enkele Helix

D

Dubbele Helix

Het is een wenteltrap

Een chromosoom bestaat uit DNA.

6. Leg het verschil uit tussen een gen en een chromosoom.

Verschil gen en chromosoom:

gen = stukje DNA met informatie voor een eiwit / erfelijke eigenschap

chromosoom = opgerold DNA (met meerdere genen)


Hoeveel chromosomen bevat een menselijke lichaamscel? En geef een synoniem voor een lichaamscel.

46 chromosomen

Autosomen

Een menselijke geslachtscel bevat 23 chromosomen.

8. Leg uit waarom een geslachtscel maar 23 chromosomen bevat en geen 46. (2p)

This item has no instructions

Hiernaast staat een deel van een DNA-streng: A – T – C – G – G – A – T – C

9. Schrijf de complementaire streng op.

Gegeven: A – T – C – G – G – A – T – C

9a Complementaire streng:
T – A – G – C – C – T – A – G


9b Uitleg:

A paart met T en C paart met G (complementaire basenparing)

10 Voordat een cel zich deelt, wordt het DNA gekopieerd.

Leg uit waarom DNA-replicatie noodzakelijk is vóór celdeling.

zodat beide dochtercellen dezelfde erfelijke informatie krijge

Basisstof 3

Beginsituatie basisstof 3: Eiwitsynthese

This item has no instructions

11.DNA bevat informatie voor de aanmaak van eiwitten. Hoe heet het proces waarbij de informatie in DNA wordt gebruikt om eiwitten te maken en schrijf twee stappen van het proces op?
11b. Noem twee stappen van dit proces. (1p)

This item has no instructions

Broers en zussen lijken vaak op elkaar, maar hebben meestal niet precies hetzelfde DNA.

12. Leg uit waardoor broers en zussen genetisch van elkaar verschillen.

Genetische verschillen door:

meiose → 1p

onafhankelijke verdeling van chromosomen → 1p

crossing-over / willekeurige combinatie bij bevruchting → 1p


Recombinantie zorgt voor genetische variatie! Dit gebeurd in de meiose! Zie BINAS!

Tijdens DNA-replicatie kan een fout optreden waarbij één base verandert.

13a. Hoe noem je zo’n verandering in het DNA?
13b. Noem één mogelijk gevolg van zo’n verandering.

3a:

mutatie → 1p

13b:

verandering in eiwit → 1p
OF

verandering in eigenschap → 1p
OF

geen effect mogelijk → 1p

In een DNA-molecuul is 30% van de basen guanine.

14a. Hoeveel procent van de basen is cytosine?
14b. Leg uit hoe je tot je antwoord komt.

14a:

30% cytosine → 1p

14b:

C en G komen in gelijke hoeveelheden voor (basenparing). Ze zijn complementaire base paren.

Leg uit waarom DNA wordt gezien als de drager van erfelijke informatie.

DNA bevat informatie in de volgorde van basen

deze informatie bepaalt erfelijke eigenschappen / eiwitten