Familie en jezelf in het Duits
Familie en jezelf in het Duits
This item has no instructions
Leerdoel
Ik kan mezelf, mijn familie en mijn vrienden in het Duits voorstellen en eenvoudig beschrijven.
This item has no instructions
Welke Duitse woorden over familie of jezelf ken je al?
Gebruik de woordwolk om voorkennis te activeren. Vraag eventueel door naar woorden als ich, Familie, Mutter, Bruder of heiße.
Jezelf voorstellen
Met deze zinnen vertel je basisinformatie over jezelf in het Duits:
Ich heiße ... / Mein Name ist ...
Ich bin ... Jahre alt.
Ich komme aus ...
Ich wohne in ...
Meine Telefonnummer ist ...
Benadruk dat leerlingen vaste zinnen leren die ze meteen kunnen gebruiken in spreken en schrijven.
Vragen over jezelf
Veelgebruikte vragen zijn:
Wer bist du?
Wie heißt du?
Wie alt bist du?
Woher kommst du?
Wo wohnst du?
Wijs erop dat vraag en antwoord samen geleerd moeten worden.
sein: ik ben, jij bent...
Het werkwoord sein gebruik je bij naam, leeftijd en wooninformatie.
ich bin
du bist
er ist
sie ist
wir sind
ihr seid
sie sind / Sie sind
Leg kort uit dat Sie de beleefdheidsvorm is en altijd met een hoofdletter wordt geschreven.
Voorbeelden met sein
Zo gebruik je sein in hele zinnen:
Ich heiße Max und ich bin zwölf Jahre alt.
Ich bin aus Münster.
Ich wohne in Münster.
Sie sind Frau Kramer.
Er ist Paul.
'Ich wohne' gebruikt formeel het werkwoord wohnen, maar leerlingen zien hier hoe persoonlijke informatie samenhangt in eenvoudige zinnen.
Welke vraag past bij het antwoord: Ich bin zwölf Jahre alt.
Wo wohnst du?
Wie alt bist du?
Wie heißt du?
Woher kommst du?
Controleert of leerlingen vraag en antwoord kunnen koppelen uit de slides over jezelf voorstellen.
Vul de juiste woorden in
Hallo! Ich heiße Amir. Ich bin dreizehn Jahre alt. Ich komme aus Utrecht und ich wohne in Zeist.
De zinnen sluiten direct aan bij de vaste chunks uit de eerste subtopic.
Familieleden noemen
Belangrijke woorden voor familie:
der Vater = vader
die Mutter = moeder
der Bruder = broer
die Schwester = zus
die Eltern = ouders
die Großeltern = grootouders
die Geschwister = broers en zussen
Houd de focus op de kernwoorden die leerlingen direct nodig hebben voor voorstellen en beschrijven.
Meer familiewoorden
Nog meer woorden:
der Opa / die Oma
der Onkel / die Tante
der Cousin / die Cousine
das Kind
die Familie
Je kunt hier kort wijzen op hoofdletters bij zelfstandige naamwoorden in het Duits.
Wie is dat?
Met deze zinnen stel je familieleden of vrienden voor:
Wer ist das?
Das ist mein / meine ...
Das sind unsere ...
Wie heißt dein / deine ...?
Er / Sie heißt ...
Sein / Ihr Name ist ...
Noem eventueel dat 'mein' en 'meine' afhangen van het woord dat erna komt, maar ga nog niet diep op naamvallen in.
Waar woont hij of zij?
Je kunt ook iets over woonplaats zeggen:
Wo wohnt dein / deine ...?
Er wohnt in ...
Sie wohnt in ...
Voorbeeld:
Meine Großeltern wohnen in Vleuten.
Laat zien dat enkelvoud en meervoud verschillen: wohnt tegenover wohnen.
Hebben: haben
Met haben zeg je wat je hebt.
ich habe
du hast
er hat
sie hat
wir haben
ihr habt
sie haben / Sie haben
Koppel dit direct aan familie: je hebt broers, zussen of een gezin.
Broers en zussen
Handige zinnen:
Hast du Geschwister?
Ja, ich habe ...
Nein, ich habe keine Geschwister.
Ich habe vier Geschwister.
Geschwister betekent: broers en zussen.
Benadruk het verschil tussen kein/keine voor ontkenning bij een zelfstandig naamwoord.
Wat betekent Geschwister?
grootouders
ouders
broers en zussen
ooms en tantes
Distractors komen uit andere familiewoorden op de vorige slides.
Vul de familiewoorden in
Das ist meine Mutter und das ist mein Bruder. Meine Großeltern wohnen in Vleuten. Ich habe keine Geschwister.
Laat leerlingen goed letten op enkelvoud/meervoud en de betekenis van de woorden.
Familie beschrijven
Met eenvoudige woorden beschrijf je iemand:
jung = jong
groß = groot/lang
klein = klein
nett = aardig
schön / hübsch = mooi
Bespreek dat sommige woorden meer over uiterlijk gaan en andere over karakter.
Leeftijd en eigenschap
Je kunt naam, leeftijd en eigenschap combineren:
Meine kleine Schwester heißt Saskia.
Sie ist sehr nett.
Er ist jung.
Meine Freundin ist zwölf Jahre alt.
Zo maak je je beschrijving duidelijker.
Wijs op sehr als versterking: heel aardig = sehr nett.
Over jezelf en je familie schrijven
In een kort tekstje noem je vaak:
naam
leeftijd
woonplaats
gezin of broers en zussen
een eigenschap van iemand
Zo ontstaat een eenvoudige persoonlijke tekst.
Maak expliciet dat dit dezelfde bouwstenen zijn als bij spreken: dezelfde woorden, maar dan in een lopend tekstje.
Voorbeeldtekst
Lieber Linus,
Ich heiße Max und ich bin zwölf Jahre alt. Ich wohne mit meiner Familie in Münster. Ich habe vier Geschwister. Meine kleine Schwester heißt Saskia. Sie ist sehr nett. Meine Großeltern wohnen in Vleuten.
Liebe Grüße
Gebruik deze slide om de vaste zinnen uit de les terug te laten zien in één samenhangende tekst.
Zo bouw je een tekst op
Een handige volgorde is:
Ich heiße ...
Ich bin ... Jahre alt.
Ich wohne in ...
Ich habe ... Geschwister.
Mein / Meine ... heißt ...
Er / Sie ist ...
Dit is een schrijfsteun: eerst ikzelf, daarna familie, daarna een beschrijving.
Welke zin beschrijft iemand met een eigenschap?
Sie ist sehr nett.
Ich habe vier Geschwister.
Er wohnt in Münster.
Wie heißt dein Bruder?
Toetst het verschil tussen beschrijven, vertellen, vragen en woonplaats noemen.
Maak de tekst compleet
Ich heiße Max und ich bin zwölf Jahre alt. Ich wohne mit meiner Familie in Münster. Ich habe vier Geschwister. Meine kleine Schwester heißt Saskia. Sie ist sehr nett.
Gebaseerd op de voorbeeldtekst; controleert kernwoorden uit de laatste subtopic.
Wat zet jij eerst in je Duitse tekstje?
Verwachte elementen: een vaste volgorde zoals naam, leeftijd, woonplaats, broers/zussen en daarna een familielid met eigenschap.
Welk Duits woord onthoud jij het best?
Reflectie zonder goed of fout. Mogelijke antwoorden gaan over familieleden, jezelf voorstellen, sein, haben of beschrijvende woorden.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen benoemen wat lastig was, bijvoorbeeld mein/meine, sein of familiewoorden.
Wat hielp jou om de woorden te leren?
Reflectie zonder goed of fout. Gebruik antwoorden om de volgende les te starten met herhaling of extra oefening.
Woordenlijst
ich heiße - ik heet
mein Name ist - mijn naam is
ich bin ... Jahre alt - ik ben ... jaar oud
ich wohne in - ik woon in
sein - zijn
haben - hebben
Geschwister - broers en zussen
This item has no instructions
Woordenlijst
der Vater - de vader
die Mutter - de moeder
der Bruder - de broer
die Schwester - de zus
die Eltern - de ouders
die Großeltern - de grootouders
die Familie - het gezin / de familie
This item has no instructions
Woordenlijst
wer ist das - wie is dat
das ist mein / meine - dat is mijn
wie heißt dein / deine - hoe heet jouw
wo wohnt - waar woont
nett - aardig
jung - jong
klein - klein
This item has no instructions