herhaling thema 1

Nodig voor herhaling thema 1

TCA1 1.12 oefenen met het werkwoord zijn

TCA1 1.15 oefenen met het werkwoord hebben

werkblad persoonlijke voornaamwoorden

1 / 34
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min
Report this lesson

Items in this lesson

Nodig voor herhaling thema 1

TCA1 1.12 oefenen met het werkwoord zijn

TCA1 1.15 oefenen met het werkwoord hebben

werkblad persoonlijke voornaamwoorden

herhaling thema 1

persoonlijke voornaamwoorden

Ik, jij, u, hij, zij, wij, jullie, zij


werkblad persoonlijke voornaamwoorden

meervoud:

we= ik + jij-u-hij-zij | ik + groep

jullie= jij + groep

zij = groep | hij-zij + groep

Hebben en zijn

Wanneer gebruik je de werkwoorden 'hebben' en 'zijn'?

hebben

Bij de meeste werkwoorden gebruik je 'hebben'.


Bij een ding of iets dat van jou is gebruik je 'hebben'.


Je hebt een fiets. Hij heeft een boek.


zijn

Bij een gevoel en een eigenschap gebruik je 'zijn'.


Ik ben blij. Wij zijn oud.

Werk samen

  1. Schrijf of teken zo veel mogelijk dingen.
    fiets | boek

  2. Schrijf of teken zo veel mogelijk gevoelens of eigenschappen.

    blij | oud

In tweetallen

  1. Pak een kaartje.

  2. Wat zie je?

  3. Schrijf het woord onder het kaartje.

  4. Hoort het woord bij 'hebben' of bij 'zijn'?

blij

blij

zijn

Oefenen met het werkwoord zijn of hebben


  • Pak een kaartje.

  • Gooi met de dobbelsteen.

  • Maak een zin.


1 = ik 4 = hij

2 = jij 5 = zij (1)

3 = u 6 = wij|jullie |zijn (2)


Voorbeeld:

kaartje: school

dobbelsteen: 2

zin: Jij bent op school.


differentiatie: Maak vraagzinnen

quiz-vragen




In tweetallen

Log in met 1 telefoon.

Typ de goede vorm van hebben of zijn.


Voorbeeld:

De docent ......... lief.

is

De docent ........... lief.

Wij ................ vandaag Nederlandse les.

Ik ................. een boek.

Wie ............... jij?

Je ............... boos.

Dit boek …………… erg mooi. Je moet het ook lezen!

Je …………… gek. Natuurlijk kan dat niet!

Tung en Wing zijn getrouwd. Zij ………………. 2 kinderen.

. U ……… mevrouw Janssen.

Hij ..............op school.

“Jullie ………………………..vervelend”, zegt de moeder tegen haar kinderen.

A

hebben

B

zijn

C

heeft

D

is

…………………………. jullie getrouwd?

A

heeft

B

zijn

C

is

D

hebben

Hij………………………. 2 jaar in Nederland.

A

bent

B

is

C

heeft

D

zijn

Maak een zin met 'hebben'.

Maak een zin met 'zijn'.

Maak een zin met 'ben'.

Maak een zin met 'hebt'.

Maak een zin met 'heb'.

Maak een zin met 'heeft'.

Maak een zin met 'is'.

Maak een zin met het werkwoord 'hebben'. Kies zelf uit: ik, hij of wij.

Maak een zin met het werkwoord 'zijn'. Kies zelf uit ik, jij of jullie.