Wat moet je kunnen/kennen?
Leerdoelen:
1. Het werkwoord avoir vervoegen in de présent.
2. Werkwoorden op -er in de voltooide tijd zetten (zoals chercher)
3. Werkwoorden op -re in de voltooide tijd zetten (zoals vendre)
4 Werkwoorden op -ir in de voltooide tijd zetten (zoals choisir)
5. Onregelmatige werkwoorden in de voltooide tijd zetten (avoir, être, faire & prendre).
6. Het werkwoord être vervoegen in de présent.
7. Werkwoorden die met het hulpwerkwoord être gaan in de voltooide tijd zetten.