Les 3: taalbeschouwing - signaalwoorden

Les 3 taalbeschouwing: signaalwoorden

2A

1 / 14
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsSecundair onderwijsA-stroomLeerjaar 2

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Les 3 taalbeschouwing: signaalwoorden

2A

Help Yara en Mats om hun ruzie op te lossen!

Planning les

  • Herhaling leerstof (10 min)

  • Toets (30 min)

Verbind het signaalwoord met het juiste verband

Opsomming

Tegenstelling

Oorzaak-gevolg

Tijds-volgorde

Toch

Maar

Doordat

Eerst

Bovendien

Ook

Welk verband hoort bij deze zin?

Eerst dekken we de tafel, daarna gaan we eten.

A

Opsomming

B

Tegenstelling

C

Oorzaak-gevolg

D

Tijdsvolgorde

Welk verband hoort bij deze zin?

Ik wil gaan zwemmen, maar ik vind mijn zwembroek niet.

A

Opsomming

B

Tegenstelling

C

Oorzaak-gevolg

D

Tijdsvolgorde

Welk verband hoort bij deze zin?

De lift is kapot. Daarom nemen we de trap.

A

Opsomming

B

Tegenstelling

C

Oorzaak-gevolg

D

Tijdsvolgorde

Welk verband hoort bij deze zin?

We leggen de spelregels uit. Ook tonen we een voorbeeld.

A

Opsomming

B

Tegenstelling

C

Oorzaak-gevolg

D

Tijdsvolgorde

Welk verband hoort bij deze zin?

Tom is ziek... blijft hij thuis.

A

Bovendien

B

Daarom

C

Toch

D

Daarnaast

Welk verband hoort bij deze zin?

Eerst doen we boodschappen. ... gaan we naar huis.

A

Daarna

B

Daarom

C

Toch

D

Daarnaast

Welk verband hoort bij deze zin?

Lena wil meespelen, ... ze heeft een gebroken been

A

Bovendien

B

Eerst

C

Maar

D

Toch

Welk verband hoort bij deze zin?

Ik heb een lekke band, ... kom ik later aan.

A

Maar

B

Eerst

C

Daardoor

D

Ook

Welk gevoel heb je voor de toets?

Veel succes!

30

minute

00

second