Les 13/10

Les 13/10

1 / 46
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2Onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomersA2Leeftijd 18

This lesson contains 46 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 120 min
Report this lesson

Items in this lesson

Les 13/10

Huiswerk

Dialoog: op de productievloer

Wat is het voltooid deelwoord van "ontmoeten"

Wat is het voltooid deelwoord van "gebeuren"

Wij hebben .................. (leven)

Diederik heeft ..................... op de vraag. (antwoorden)

Katarina heeft een mop ...................... (vertellen)

Jij hebt de e-mail ................... (uitsturen)

De bakker heeft de ingrediënten goed ................. (mixen)

Skiën heeft hij nooit ................... (durven)

De cursisten hebben de grammatica goed ...................... (oefenen)

Daan heeft een email ...................... (sturen)

We hebben de hele nacht .................... op het feest van Lot. (dansen)

Wie heeft de burgemeester .....................? (ontmoeten)

Els heeft het werk ...................... (afmaken)

Ben je nog lang op het feest .................? (blijven)

Wij hebben lekker ..................... op de boot. (slapen)

Mijn schoonzoon heeft de marathon ..................... (lopen)

Jij hebt de opdracht niet goed ...................... (begrijpen)

Mijn vriendin heeft lekkere broodjes ................. (kopen)

Het dameskoor heeft erg vals ................... (zingen)

Diana en Marian hebben uren in de rij .................. voor kaartjes. (staan)

De oma van Paul heeft mij ................ (helpen)

De mensen hebben een nieuwe regering ...................... (kiezen)

Hebben jullie de prijzen goed ......................... (vergelijken)?

BEKIJK het eerste fragment.

WELKE zin past bij de foto?

A

Mr. Bean verliest zijn bikini.

B

Mr. Bean verliest zijn badpak.

C

Mr. Bean verliest zijn onderbroek.

D

Mr. Bean verliest zijn zwembroek.

WELKE zin past bij de foto?

A

Mr.Bean is blij.

B

Mr.Bean is bang.

C

Mr.Bean is boos.

D

Mr.Bean is verlegen.

WELKE zin past bij de foto?

A

Hij staat boven op de springplank.

B

Hij gaat naar de kleine glijbaan.

C

Hij verstopt zich in het water.

D

Hij verstopt zich achter een muur.

WELKE zin past bij de foto?

A

Hij valt in het water.

B

Hij verliest zijn zwembroek.

C

Hij ziet de springplank.

D

Hij zit op de kleine glijbaan.

WELKE zin past bij de foto?

A

Mr.Bean is blij.

B

Mr.Bean is bang.

C

Mr.Bean is boos.

D

Mr.Bean is verlegen.

WELKE zin past bij de foto?

A

Mr. Bean verliest zijn bikini.

B

Mr. Bean verliest zijn badpak.

C

Mr. Bean verliest zijn onderbroek.

D

Mr. Bean verliest zijn zwembroek.

WELKE zin past bij de foto?

A

Hij staat boven op de springplank.

B

Hij gaat naar de kleine glijbaan.

C

Hij verstopt zich in het water.

D

Hij verstopt zich achter een muur.

WELKE zin past bij de foto?

A

Hij valt in het water.

B

Hij verliest zijn zwembroek.

C

Hij ziet de springplank.

D

Hij zit op de kleine glijbaan.

Wat heb je gezien? Vertel...