This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.
Lesson duration is: 50 min
Report this lesson
Items in this lesson
Sigmund Freud (1856-1939)
Slide 1 - Slide
Sigmund Freud (1856-1939) was een Oostenrijkse neuroloog en de grondlegger van de psychoanalyse, een theorie die sterk heeft bijgedragen aan ons begrip van de menselijke geest. Hij introduceerde concepten als het onbewuste, verdringing, droomanalyse en de psychoseksuele ontwikkeling. Freud geloofde dat het menselijk gedrag vaak werd bepaald door onbewuste drijfveren en conflicten, vooral rond seksualiteit en agressie. Zijn ideeën hebben een blijvende invloed gehad op de psychologie, psychiatrie, literatuur, kunst en cultuur.
Rondtrekkende leraren in de rethorica werden genoemd.
Het ging bij hen om om de .
Plato geloofde in vaste die tot uitdrukking komen in .
De fysieke wereld is , ideeën zijn perfect.
De heeft de wereld geschapen naar het beeld van de Ideeën.
is de bedenker van de deugdethiek.
Voor hem zijn de basis van ons denken.
Bij hem is God de
sofisten
relativisme
waarheid
ethische waarden
Ideeën
imperfect
demiurg
Aristoteles
waarnemingen
onbewogen beweger
Slide 2 - Drag question
This item has no instructions
Leerdoelen
Je kunt uitleggen welke invloed Freud heeft gehad op de hedendaagse psychiatrie.
Je kunt de persoonlijkheidstheorie van Freud uitleggen met de onderdelen id, ego en superego.
Je kunt de ijsbergmetafoor uitleggen en hoe deze het bewuste en onbewuste verklaart.
Je kunt het Oedipuscomplex uitleggen en de rol ervan binnen de psychoseksuele ontwikkeling beschrijven.
Je kunt Freuds visie op religie uitleggen en de psychologische betekenis daarvan beschrijven.
Je kunt uitleggen wat psychoanalyse en verdringing betekenen binnen Freuds theorie.
Je kunt je eigen mening over Freuds theorieën formuleren en onderbouwen met argumenten.
Slide 3 - Slide
This item has no instructions
Slide 4 - Video
This item has no instructions
Jeugd en studie
Sigmund Freud, geboren als Sigismund Schlomo Freud op 6 mei 1856 in Freiberg, Moravië (nu Příbor, Tsjechië), verhuisde op jonge leeftijd met zijn familie naar Wenen.
1
Hij studeerde medicijnen aan de Universiteit van Wenen en specialiseerde zich in neurologie.
2
Na zijn afstuderen werkte hij in het Weense Algemeen Ziekenhuis en opende in 1886 een privépraktijk. Daar begon hij patiënten met hysterie en psychische problemen te behandelen, wat leidde tot de ontwikkeling van de psychoanalyse.<div><br></div><div><br></div><div><br></div><div><br></div><div><br></div><div><br></div><div><br></div>
3
Op 21-jarige leeftijd veranderde Freud zijn voornaam van Sigismund naar Sigmund, wat een vroege stap was om zich te onderscheiden van zijn familie en zijn eigen identiteit te vormen.
4
Slide 5 - Slide
Sigmund Freud werd geboren op 6 mei 1856 in Freiberg, Moravië (nu Příbor, Tsjechië), als Sigismund Schlomo Freud. Hij was van Joodse afkomst. Op jonge leeftijd verhuisde zijn familie naar Wenen, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht. Hij studeerde medicijnen aan de Universiteit van Wenen en behaalde zijn doctoraat in de geneeskunde in 1881.
Tijdens zijn studie ontwikkelde Freud een interesse in het zenuwstelsel en werkte hij onder leiding van de invloedrijke neuroloog Ernst Brücke.
Na zijn afstuderen werkte hij in het Algemeen Ziekenhuis van Wenen en specialiseerde hij zich in de behandeling van neurologische aandoeningen.
In 1886 opende Freud zijn eigen privépraktijk, waar hij begon te werken met patiënten die leden aan hysterie en andere psychische stoornissen. Dit markeerde het begin van zijn klinische werk dat uiteindelijk zou leiden tot de ontwikkeling van de psychoanalyse.
In 1877, op 21-jarige leeftijd, veranderde Freud zijn voornaam van Sigismund naar Sigmund. Dit was een van de eerste stappen die hij nam om zichzelf te onderscheiden van zijn familie en zijn eigen identiteit te vormen.
Zijn keuze om zijn voornaam te veranderen van Sigismund naar Sigmund kan deels worden gezien als een stap om zich te onderscheiden van zijn Joodse achtergrond. In het Wenen van die tijd werd het antisemitisme steeds sterker, en sommige Joden probeerden hun identiteit te assimileren om discriminatie te vermijden of hun kansen op sociaal en professioneel succes te vergroten.
Hoewel Freud zich niet openlijk identificeerde met zijn Joodse afkomst en zichzelf vaak als atheïst beschouwde, was hij zich bewust van de invloed van antisemitisme op zijn leven en werk. Zijn beslissing om zijn voornaam te veranderen kan worden gezien als een strategie om zichzelf te positioneren in een maatschappij waarin antisemitisme wijdverbreid was, en om zijn eigen identiteit en professionele reputatie vorm te geven buiten zijn religieuze en culturele achtergrond.
Waarom zou Freud zich hebben willen losmaken van zijn roots?
Slide 6 - Open question
Freud was van Joodse afkomst, en zijn keuze om zijn voornaam te veranderen van Sigismund naar Sigmund kan deels worden gezien als een stap om zich te onderscheiden van zijn Joodse achtergrond. In het Wenen van die tijd werd het antisemitisme steeds sterker, en sommige Joden probeerden hun identiteit te assimileren om discriminatie te vermijden of hun kansen op sociaal en professioneel succes te vergroten.
Hoewel Freud zich niet openlijk identificeerde met zijn Joodse afkomst en zichzelf vaak als atheïst beschouwde, was hij zich bewust van de invloed van antisemitisme op zijn leven en werk. Zijn beslissing om zijn voornaam te veranderen kan worden gezien als een strategie om zichzelf te positioneren in een maatschappij waarin antisemitisme wijdverbreid was, en om zijn eigen identiteit en professionele reputatie vorm te geven buiten zijn religieuze en culturele achtergrond.
Freud was gedurende een lange tijd onder de invloed van cocaïne.
Sinds 1884 maakte Sigmund Freud gebruik van cocaïne, een middel dat destijds binnen de medische wereld als legaal en breed geaccepteerd werd beschouwd.
1
Freud was ervan overtuigd dat cocaïne stimulerende en therapeutische eigenschappen bezat, waardoor hij het middel zelfs promootte als een effectieve behandeling voor depressie, vermoeidheid en morfineverslaving.
2
Hij gebruikte het middel zelf om zijn energie en productiviteit te verhogen, met name tijdens intensieve periodes van onderzoek en schrijven.
3
Hij erkende echter later de verslavende gevaren nadat een goede vriend een ernstige afhankelijkheid ontwikkelde. Naarmate de schadelijke effecten breder bekend werden, nam Freud uiteindelijk afstand van cocaïne.
4
Slide 7 - Slide
Sigmund Freud was verslaafd aan cocaïne gedurende een periode van zijn leven. In de vroege jaren 1880 begon hij cocaïne te gebruiken en was hij enthousiast over de mogelijke medische toepassingen ervan, met name als een middel tegen depressie en als verdovingsmiddel. Hij publiceerde zelfs een essay genaamd "Über Coca" (Over Coca) waarin hij de voordelen van cocaïne prees.
Echter, na verloop van tijd realiseerde Freud zich de ernstige gevaren van cocaïneverslaving en de schadelijke effecten ervan op de gezondheid. Hij staakte uiteindelijk zijn persoonlijk gebruik en trok zijn eerdere positieve opvattingen over de drug in. Freud zelf ervoer de destructieve kracht van cocaïneverslaving en schreef erover in zijn latere werken.
Hoewel Freud's interesse in cocaïne afnam naarmate hij zich bewust werd van de gevaren ervan, zou het hem wel hebben geholpen om een breder begrip te ontwikkelen van de invloed van chemische stoffen op de menselijke geest en gedrag, wat zijn denken over psychoanalyse zou hebben beïnvloed.
Terwijl hij cocaïne gebruikte, zou hij zich bewust zijn geworden van de veranderende gemoedstoestanden en gedragingen die het veroorzaakte, wat hem kon hebben geleid tot een dieper begrip van de complexiteit van menselijke emoties en persoonlijkheidskenmerken.
<span style="font-weight: bold">ID:</span><div>Impulsen </div><div>seksuele energie/ driften <b>thanatos </b>(woede) </div><div> "the devil sitting on your shoulder"</div><div><span style="font-weight: bold"> </span></div>
1
<span style="font-weight: bold">Superego:</span><div>Tegenstander van de Id </div><div>Normen en waarden </div><div>Ideale zelfbeeld </div><div>"The angel sitting on your shoulder"</div><div><span style="font-weight: bold"> </span></div>
2
<span style="font-weight: bold">Ego:</span><div>Weerstand- en verdringingsmechanismen </div><div>compromissen sluiten </div><div> realiteit </div><div>"The real you"</div><div><span style="font-weight: bold"> </span></div><div><span style="font-weight: bold"> </span></div>
3
Persoonlijkheidstheorie
Hij beschouwde persoonlijkheid als dynamisch en onderhevig aan ontwikkeling gedurende het hele leven, voornamelijk beïnvloed door ervaringen in de kindertijd.
Slide 8 - Slide
Freud's persoonlijkheidstheorie, ook bekend als de psychoanalytische persoonlijkheidstheorie, is een van zijn meest invloedrijke bijdragen aan de psychologie. Deze theorie is gebaseerd op het idee dat persoonlijkheid wordt gevormd door de interactie van drie structuren van de geest: het id, het ego en het superego.
Het id: Dit is het primitieve en onbewuste deel van de persoonlijkheid, dat bestaat uit basale instincten en verlangens, zoals honger, seksualiteit en agressie. Het id streeft naar onmiddellijke bevrediging van deze verlangens, zonder rekening te houden met de realiteit of de gevolgen.
Het ego: Het ego ontwikkelt zich als reactie op de eisen van de realiteit en fungeert als bemiddelaar tussen de eisen van het id, de beperkingen van de externe wereld en de normen van het superego. Het ego werkt volgens het principe van de realiteit en probeert verlangens van het id op een sociaal acceptabele en effectieve manier te bevredigen.
Het superego: Het superego vertegenwoordigt het internalisatieproces van maatschappelijke normen, waarden en morele principes. Het bestaat uit het geweten, dat zich bezighoudt met schuldgevoelens en morele conflicten, en het ego-ideaal, dat ideaalgedrag en aspiraties omvat.
Freud geloofde dat de interactie tussen deze drie componenten van de persoonlijkheid bepaalt hoe mensen zich gedragen en hoe ze omgaan met conflicten en angsten. Hij beschouwde persoonlijkheid als dynamisch en onderhevig aan ontwikkeling gedurende het hele leven, voornamelijk beïnvloed door ervaringen in de kindertijd.
Theorie van het onbewuste
Het bewuste denken en gedrag, dat slechts het topje van de ijsberg vertegenwoordigt, is slechts een klein deel van de totale menselijke geest
1
Onder de oppervlakte ligt het voorbewuste, met informatie die toegankelijk is maar niet altijd actief bewust is.
2
Het grootste deel van de ijsberg, het onbewuste, bevat diepgaande verlangens, impulsen en herinneringen die vaak verdrongen zijn en ons gedrag en emoties beïnvloeden zonder dat we ons daarvan bewust zijn.
3
De psychoanalyse richt zich op het onthullen en begrijpen van deze diepere lagen van de geest om psychische problemen aan te pakken en persoonlijke groei te bevorderen.
Slide 9 - Slide
Freud's theorie van het onbewuste is een kernconcept in de psychoanalyse en vormt de basis van zijn begrip van de menselijke geest. Volgens Freud bestaat het menselijk bewustzijn uit drie niveaus: het bewuste, het voorbewuste en het onbewuste.
Het bewuste: Dit is het deel van de geest waarvan we ons op een bepaald moment bewust zijn. (IJ sberg die je ziet)Het omvat gedachten, gevoelens, herinneringen en percepties die op dat moment actief zijn en toegankelijk zijn voor ons bewuste denken.
Het voorbewuste: Het voorbewuste bevat informatie die momenteel niet bewust is, maar gemakkelijk kan worden opgeroepen naar het bewuste bewustzijn. Dit omvat bijvoorbeeld recente herinneringen, kennis en informatie die niet op het huidige moment relevant zijn, maar wel beschikbaar zijn voor bewuste reflectie wanneer dat nodig is.
Het onbewuste: Het onbewuste is het grootste deel van de geest, waarvan we ons niet bewust zijn. ( Deel van de ijsberg onder het water) Het bevat diepgaande verlangens, impulsen, herinneringen en emoties die vaak verdrongen of onderdrukt zijn vanwege hun conflicterende of onaanvaardbare aard. Freud geloofde dat het onbewuste een krachtige invloed heeft op ons gedrag, emoties en persoonlijkheid, zelfs als we er niet direct van op de hoogte zijn.
Verdrongen verlangens en herinneringen blijven in het onbewuste en kunnen zich uiten in symptomen, dromen, versprekingen en ander onbewust gedrag.
1
Neurotische symptomen, zoals angst, obsessies en dwanghandelingen, zouden voortkomen uit onbewuste conflicten en verlangens die in de kindertijd waren gevormd en later waren verdrongen.
3
De theorie van het onbewuste is een kernconcept in de psychoanalyse.
Freud wilde het onbewuste bewust maken met technieken zoals vrije associatie, droomanalyse en het analyseren van versprekingen, om innerlijke conflicten te begrijpen en psychische problemen te behandelen.
2
Slide 10 - Slide
Volgens Freud wordt het onbewuste gevormd door de vroege ervaringen uit de kindertijd, vooral die welke gepaard gaan met sterke emotionele belasting. Verdrongen verlangens en herinneringen blijven in het onbewuste aanwezig en kunnen zich uiten in symptomen, dromen, freudiaanse versprekingen (versprekingen of lapsussen) en andere vormen van onbewust gedrag.
De psychoanalyse streeft ernaar het onbewuste bewust te maken door middel van technieken zoals vrije associatie, droomanalyse en analyse van versprekingen, met als doel innerlijke conflicten te begrijpen en psychische problemen te behandelen.
Het idee van verdrongen herinneringen als oorzaak van neurose is een concept dat vooral geassocieerd wordt met Freud's vroege psychoanalytische theorieën. Freud geloofde dat neurotische symptomen, zoals angst, obsessies en dwanghandelingen, vaak voortkwamen uit onbewuste conflicten en verlangens die in de kindertijd waren gevormd en later waren verdrongen.
Volgens Freud ontstaan verdrongen herinneringen wanneer mensen traumatische of verontrustende ervaringen meemaken die te overweldigend zijn om bewust mee om te gaan. Om deze ervaringen te kunnen verdragen, worden ze weggestopt in het onbewuste, buiten het bereik van bewust denken. Echter, hoewel deze herinneringen verborgen zijn, oefenen ze nog steeds invloed uit op het gedrag en de emoties van een persoon.
Wat gebeurt er met een herinnering die onderdrukt is?
A
Het verdwijnt
B
Het blijft bewust, maar de persoon probeert er niet aan te denken
C
Het blijft in het onderbewuste
D
Het achtervolgt je in je dromen
Slide 11 - Quiz
This item has no instructions
<span style="font-weight: bold">Gebrek aan empirisch bewijs:</span><div>Moderne wetenschappelijke methoden en onderzoekstechnieken vereisen reproduceerbare resultaten en objectieve metingen. </div>
1
<span style="font-weight: bold">Culturele en historische beperkingen:</span> Zijn theorieën werden ontwikkeld in een specifieke culturele en historische context, en zijn niet universeel toepasbaar. De theorieën werden ontwikkeld op basis van zijn ervaringen met patiënten uit de Weense middenklasse van de late 19e en vroege 20e eeuw.
3
Kritiek
<span style="font-weight: bold">Pseudowetenschap</span>: De focus op het onbewuste en zijn manier van casestudy's interpreteren heeft kritiek gekregen vanwege de subjectiviteit van zijn werk.
2
Slide 12 - Slide
Volgens Freud wordt het onbewuste gevormd door de vroege ervaringen uit de kindertijd, vooral die welke gepaard gaan met sterke emotionele belasting. Verdrongen verlangens en herinneringen blijven in het onbewuste aanwezig en kunnen zich uiten in symptomen, dromen, freudiaanse versprekingen (versprekingen of lapsussen) en andere vormen van onbewust gedrag.
De psychoanalyse streeft ernaar het onbewuste bewust te maken door middel van technieken zoals vrije associatie, droomanalyse en analyse van versprekingen, met als doel innerlijke conflicten te begrijpen en psychische problemen te behandelen.
Het idee van verdrongen herinneringen als oorzaak van neurose is een concept dat vooral geassocieerd wordt met Freud's vroege psychoanalytische theorieën. Freud geloofde dat neurotische symptomen, zoals angst, obsessies en dwanghandelingen, vaak voortkwamen uit onbewuste conflicten en verlangens die in de kindertijd waren gevormd en later waren verdrongen.
Volgens Freud ontstaan verdrongen herinneringen wanneer mensen traumatische of verontrustende ervaringen meemaken die te overweldigend zijn om bewust mee om te gaan. Om deze ervaringen te kunnen verdragen, worden ze weggestopt in het onbewuste, buiten het bereik van bewust denken. Echter, hoewel deze herinneringen verborgen zijn, oefenen ze nog steeds invloed uit op het gedrag en de emoties van een persoon.
Oedipus Complex / Electra Complex
The Oedipus complex is a concept in Freud’s psychosexual theory of development. It occurs during the phallic stage (around ages 3–6) when a young boy experiences unconscious sexual desire for his mother and feelings of rivalry or jealousy toward his father.
1
The Electra complex is the counterpart for girls, first proposed by Carl Jung but influenced by Freud’s ideas. During the same phallic stage, a girl develops unconscious desire for her father and rivalry with her mother. Freud described this in terms of penis envy, though this idea has been widely criticized today.
3
The terms "Oedipus complex" and "Electra complex" are still used in psychoanalytic literature, but their validity and universality are often questioned in modern psychology. Many contemporary psychologists view these concepts as culturally specific and not universally applicable to all individuals.
According to Freud, this conflict is eventually resolved through identification with the same-sex parent, which helps the child develop a mature sexual identity and superego.
2
Resolution occurs through identification with the mother, which contributes to the girl’s development of sexual identity and moral understanding.
4
Slide 13 - Slide
The Oedipus complex and the Electra complex are two central concepts in Sigmund Freud’s psychoanalytic theory. They are based on stories from Greek mythology, specifically the story of King Oedipus and his son, and the story of Electra and her father Agamemnon.
Oedipus Complex: This concept refers to the hypothesis that young boys develop unconscious sexual feelings for their mother and experience rivalry toward their father. According to Freud, boys experience these feelings in early childhood, usually between the ages of three and five. They desire the exclusive love and attention of their mother and see their father as a rival who takes away this affection. Freud believed that the Oedipus complex plays a crucial role in the development of a boy’s personality, and failure to successfully navigate it can lead to neurotic symptoms later in life.
Electra Complex: The Electra complex is the female counterpart to the Oedipus complex. It refers to the hypothesis that girls develop similar unconscious sexual feelings toward their father and rivalry toward their mother. Girls are thought to desire their father’s penis and wish they had one, while seeing their mother as an obstacle. Like the Oedipus complex, the Electra complex is considered by Freud to play a crucial role in early female development and can influence later personality traits and relationships.
The terms "Oedipus complex" and "Electra complex" are still used in psychoanalytic literature, although their validity and universality are often questioned in modern psychology. Many contemporary psychologists view these concepts as culturally specific and not necessarily applicable to all individuals.
Slide 14 - Video
This item has no instructions
Het paard in het schaakspel beweegt 2 velden horizontaal met 1 veld verticaal of een beweging van 2 velden verticaal met 1 veld horizontaal. <br><div><br></div><div>Er ontstaat bij een paardensprong altijd een <b>L-vorm</b>.</div>
Hier moet je niet aan toegeven.
Paardensprong-puzzel
Het paard in het schaakspel beweegt 2 velden horizontaal met 1 veld verticaal of een beweging van 2 velden verticaal met 1 veld horizontaal. <br><div><br></div><div>Er ontstaat bij een paardensprong altijd een <b>L-vorm</b>.</div>
U
E
I
S
P
N
L
M
Slide 15 - Drag question
Antwoord: Impulsen
Freud zag religie als een vorm van illusie. (net als kunst en schoonheid) Hij dacht dat mensen religie gebruikten om troost te vinden en hun angsten te beheersen, vooral de angst voor dood en het onbekende. Volgens Freud was religie gebaseerd op verlangens en kinderlijke gevoelens van afhankelijkheid.
1
Freud geloofde dat religieuze overtuigingen en rituelen, zoals het aanbidden van God en het gehoorzamen aan goddelijke regels, te maken hadden met het Oedipuscomplex. Hij zag een verband tussen het verlangen naar een machtige vaderfiguur in de hemel (God) en het verlangen naar een vaderfiguur op aarde.
2
Bij Freud is religie een vorm van projectie, wat betekent dat mensen hun eigen gevoelens en verlangens, zoals het verlangen naar bescherming of een sterke vaderfiguur, naar buiten toe projecteren. Ze maken van deze gevoelens een god of hogere macht die hen beschermt en leiding geeft.
3
Freud's opvattingen over religie worden gezien als controversieel en veel psychologen zijn het niet eens met zijn analyse.
Religie als collectieve dwangneurose.
Slide 16 - Slide
Freud beschreef religie als een vorm van collectieve dwangneurose. Hij suggereerde dat religieuze overtuigingen en praktijken vergelijkbaar waren met neurotische symptomen bij individuen, zij het op een grotere, maatschappelijke schaal.
Freud had een complexe kijk op religie, die hij in zijn werk uitvoerig heeft onderzocht. Over het algemeen beschouwde hij religie als een vorm van illusie, waarbij hij geloofde dat het ontstond als een manier voor individuen om te voldoen aan psychologische behoeften en om te gaan met onzekerheden en angsten die inherent zijn aan het menselijk bestaan.
Hier zijn enkele belangrijke aspecten van Freud's visie op religie:
Religie als Illusie: Freud beschouwde religie als een illusie, vergelijkbaar met andere vormen van illusie zoals kunst, liefde en de droomwereld. Hij geloofde dat religieuze overtuigingen voortkwamen uit diepe psychologische behoeften, zoals het verlangen naar een beschermende vaderfiguur (God) en de wens om antwoorden te vinden op existentiële vragen over leven, dood en lijden.
Religie als Oedipuscomplex: Freud stelde dat religieuze overtuigingen en rituelen, zoals aanbidding en gehoorzaamheid aan goddelijke autoriteit, waren geworteld in het Oedipuscomplex. Hij zag parallellen tussen het verlangen naar een almachtige vaderfiguur in de hemel (God) en het verlangen naar een vaderfiguur op aarde.
Religie als projectie: Freud beschreef religie ook als een vorm van projectie, waarbij individuen hun eigen verlangens, angsten en emoties projecteren op een externe goddelijke figuur. Hij geloofde dat deze projecties vaak onbewust waren en dienden als een manier om innerlijke conflicten en onzekerheden te externaliseren.
Volgens Freud heeft de mens een god naar zijn beeld gemaakt.
A
Waar
B
Niet waar
Slide 17 - Quiz
This item has no instructions
Het paard in het schaakspel beweegt 2 velden horizontaal met 1 veld verticaal of een beweging van 2 velden verticaal met 1 veld horizontaal. <br><div><br></div><div>Er ontstaat bij een paardensprong altijd een <b>L-vorm</b>.</div>
De woede
Paardensprong-puzzel
Het paard in het schaakspel beweegt 2 velden horizontaal met 1 veld verticaal of een beweging van 2 velden verticaal met 1 veld horizontaal. <br><div><br></div><div>Er ontstaat bij een paardensprong altijd een <b>L-vorm</b>.</div>
T
T
A
S
A
H
O
N
Slide 18 - Drag question
Antwoord: Thanatos
Zijn de leerdoelen behaald?
Ik kan uitleggen welke invloed Freud heeft gehad op de hedendaagse psychiatrie.
Ik kan de persoonlijkheidstheorie van Freud uitleggen met de onderdelen id, ego en superego.
Ik kan de ijsbergmetafoor uitleggen en hoe deze het bewuste en onbewuste verklaart.
Ik kan het Oedipuscomplex uitleggen en de rol ervan binnen de psychoseksuele ontwikkeling beschrijven.
Ik kan Freuds visie op religie uitleggen en de psychologische betekenis daarvan beschrijven.
Ik kan uitleggen wat psychoanalyse en verdringing betekenen binnen Freuds theorie.
Ik kan mijn eigen mening over Freuds theorieën formuleren en onderbouwen met argumenten.