This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 30 min
Items in this lesson
Themaquiz Werk
Jaar 2
Slide 1 - Slide
Themaquiz
Deze themaquiz bestaat uit twee type vragen:
Meerkeuzevragen
Open vragen (toepassings- en inzichtvragen)
De themaquiz bestaat uit negentien vragen.
Veel succes!
Waar ben ik?
Slide 2 - Slide
1. Wat doe je tijdens een stage?
Les: Wat is
een stage?
A
Uit boeken leren.
B
Zonder boeken leren.
C
Onder begeleiding word je meegenomen in de dagelijkse werkzaamheden bij een bedrijf.
D
Omgaan met tijdsdruk
Slide 3 - Quiz
2. Stelling: ''Bedrijven bieden stageplekken aan, omdat ze het belangrijk vinden dat jongeren interesse krijgen voor een vak en omdat het interessant is om jonge leerlingen een vak bij te brengen."
Les: Wat is
een stage?
A
Dit is juist.
B
Dit is onjuist.
Slide 4 - Quiz
3. Stelling: ''Een stage duurt een paar maanden, maar dit kan per opleiding verschillen."
Les: Wat is
een stage?
A
Dit is juist.
B
Dit is onjuist.
Slide 5 - Quiz
4. Stelling: "Tijdens je stage ontvang je meestal geen salaris, maar vaak wel een stagevergoeding."
Les: Wat is
een stage?
A
Dit is juist.
B
Dit is onjuist.
Slide 6 - Quiz
5. Voor een stage of werk heb je kwaliteiten nodig. Wat zijn kwaliteiten?
Les: Waar krijg
ik energie van?
A
Gezelligheid.
B
Eigenschappen.
C
Dingen waar je slecht in bent.
D
Trucjes die je op school geleerd hebt.
Slide 7 - Quiz
6. Elke kwaliteit heeft ook ...
Les: Waar krijg
ik energie van?
A
eigenschappen
B
geduldigheid
C
valkuilen
Slide 8 - Quiz
7. Wat is een valkuil?
Les: Waar krijg
ik energie van?
A
Een slechte eigenschap.
B
Geen slechte eigenschap, maar een eigenschap die je te veel inzet of te veel laat zien.
C
Behulpzaam zijn.
D
Een les die je vroeg hebt geleerd en nooit meer vergeet.
Slide 9 - Quiz
8. Wat betekent een CV?
Les:
Een CV
A
levensloop
B
jouw opleiding
C
jouw kwaliteit
D
een geschikte werknemer
Slide 10 - Quiz
9. Wat staat er niet in een CV?
Les:
Een CV
A
persoonlijke informatie
B
belangrijke werkervaring
C
kwaliteiten en vaardigheden
D
hoeveel je wilt verdienen
Slide 11 - Quiz
10. Stelling: "Je gebruikt een CV om aan jouw familie en vrienden te laten lezen wat voor persoon jij bent en of jij en jouw ervaringen bij het bedrijf passen."
Les:
Een CV
A
Dit is juist.
B
Dit is onjuist.
Slide 12 - Quiz
11. Stelling: "Bij het schrijven van een CV maken spelfouten niet uit."
Les:
Een CV
A
juist
B
onjuist
Slide 13 - Quiz
12. Op een CV zet je jouw vaardigheden neer. Wat zijn vaardigheden?
Les:
Een CV maken
A
Dingen waar iemand niet goed of niet handig in is.
B
Dingen waar iemand goed of heel handig in is.
C
Creativiteit.
Slide 14 - Quiz
13. Op een CV staan ook persoonlijke gegevens. Wat is geen persoonlijk gegeven?
Les:
Een CV maken
A
Je naam.
B
Je adres.
C
Je email.
D
Je vrienden.
Slide 15 - Quiz
14. Stelling: "Op een CV is het belangrijk om persoonlijke gegevens te zetten."
Les:
Een CV maken
A
juist
B
onjuist
Slide 16 - Quiz
Open vragen
Slide 17 - Slide
15. Deniz zegt tegen Rita: "Voor een stage krijg je nooit geld."
Leg uit dat de uitspraak van Deniz niet helemaal klopt.
Les: Wat is
een stage?
Slide 18 - Open question
16. Zet de onderstaande stapjes van een sollicitatie in de juiste volgorde.
Les:
Een CV
1
2
3
4
5
Je vindt een leuke stage- of werkplek.
Je schrijft een e-mail en maakt een CV.
Je solliciteert naar een stage of baan(tje).
Je wordt uitgenodigd voor een sollicitatie-gesprek.
Als het goed gaat, krijg je een baan aangeboden.
Slide 19 - Drag question
17. Op dit CV (zie foto) staan een aantal spelfouten. Kun jij twee spelfouten vinden?
Les:
Een CV
Slide 20 - Open question
18. Stel dat je een CV aan het maken bent en je drie vaardigheden moet opschrijven.
Welke drie vaardigheden heb jij?
Les: Zelf een cv maken
Slide 21 - Open question
19. Op een CV staan persoonlijke gegevens. Kun jij vier onderdelen van jouw persoonlijke gegevens opschrijven die op een CV staan?