Nederlands in Gang H5

Nederlands in Gang hoofdstuk 5
In deze les:
- gaan we naar de dialoog luisteren
- oefen je met de namen van groente en fruit
- leer je de pluralis
- leer je het adjectief
1 / 23
next
Slide 1: Slide
NT2Beroepsopleiding

This lesson contains 23 slides, with text slides.

Items in this lesson

Nederlands in Gang hoofdstuk 5
In deze les:
- gaan we naar de dialoog luisteren
- oefen je met de namen van groente en fruit
- leer je de pluralis
- leer je het adjectief

Slide 1 - Slide

Dialoog
Luister naar de audio via de website (link op de volgende slide). Probeer de dialoog daarna te vertalen. De dialoog kun je lezen op pagina 71 in je boek.

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Link

Slide 5 - Slide

pluralis (meervoud)
De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud op -en. 

raam – ramen 
vis – vissen
brief – brieven 
huis – huizen


Slide 6 - Slide

pluralis (meervoud)
Woorden die een meervoud met -s krijgen zijn: kopje – kopjes
koerier – koeriers
secretaresse – secretaresses
verpleegster – verpleegsters
Daarnaast zijn er nog enkele (mannelijke) persoonsaanduidingen die in het meervoud een -s krijgen.

Slide 7 - Slide

zoon – zoons (zonen komt alleen in formeel taalgebruik voor)
kok – koks
bruidegom – bruidegoms
Daarnaast krijgen woorden die uit andere talen zijn geleend meervoud op -s.

film – films
computer – computers

Slide 8 - Slide

Ook woorden die eindigen op een van de volgende onbeklemtoonde lettergrepen hebben meestal een meervoud op -s (maar soms komen beide vormen voor).
-el: tafels
-en: gegevens 
-er: komkommer
-em: bezems
-erd: lieverds

Slide 9 - Slide

Bij woorden op -e komen vaak beide vormen voor: ziekten – ziektes, gemeente – gemeenten.
Woorden die eindigen op een klinker krijgen ook een meervoud op -s. Vanwege de spellingsregels komt hier een apostrof voor:

oma – oma’s foto – foto’s taxi – taxi’s menu – menu’s
baby – baby’s

Slide 10 - Slide

Tot slot zijn er enkele onregelmatige meervouden. In sommige gevallen is de klinker in het enkelvoud kort en in het meervoud lang.

dag – dagen
weg – wegen
slot – sloten

Soms verandert de klinker.
lid – leden stad – steden

Slide 11 - Slide

In sommige gevallen krijgt het meervoud de uitgang -eren.

kind – kinderen
ei – eieren
lied – liederen

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide