H2 Unit 2 revision- comparisons + irregular verbs.

HA Unit 2 revision
Comparisons and irregular verbs.
1 / 32
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

HA Unit 2 revision
Comparisons and irregular verbs.

Slide 1 - Slide

We are going to learn how to make comparisons .

comparative 
(vergrotende trap + )
superlative 
(overtreffende trap ++ )

Slide 2 - Slide

Even terug naar wat je al kent
Als het goed is weet je van de Nederlands lessen wat  bijvoegelijke naamwoorden zijn...

Slide 3 - Slide

Voorbeelden
een lang meisje, een mooi boek, een belangrijk onderwerp

Slide 4 - Slide

Met die bijvoegelijke naamwoorden kunnen we vergelijkingen maken
een langer meisje, het mooiste boek, een even belangrijk onderwerp

In het Engels kan dat natuurlijk ook.

Slide 5 - Slide

Comparisons

Slide 6 - Slide

Comparisons
1 lettergreep
- er
-est
fast, faster, fastest
2 lettergrepen
eindigen op -le, -er, -ow & -y 

-er
-est
pretty, prettier, prettiest
3 lettergrepen
more
most
more interesting, most interesting

Slide 7 - Slide

Wat zijn trappen van vergelijking?
De trappen van vergelijking gebruik je om 2 of meer dingen met elkaar te vergelijken.

v.b.
Mijn zus is ouder dan jouw zus.
Dit is het beste boek dat ik ook heb gelezen.

Slide 8 - Slide

In het Engels: 
Trap 1: Positive degree
big / beautiful / good / bad / intelligent

Trap 2: Comparative degree
bigger / more beautiful / better / worse / more intelligent

Trap 3: Superlative degree
biggest / most beautiful / best / worst / most intelligent

Slide 9 - Slide

-er / -est
Bij woorden van één lettergreep gaan de trappen als volgt:

big - bigger than - the biggest
tall - taller than - the tallest
white - whiter than - the whitest

Slide 10 - Slide

more / most
Bij woorden van twee of meer lettergrepen gaan de trappen als volgt:

beautiful / more beautiful than / the  most beautiful
interesting / more interesting than / the most interesting
stunning / more stunning than / the most stunning

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

as ... as
Als je wilt zeggen dat 2 dingen (bijna) hetzelfde zijn dan gebruik je as ... as (net zo ... als)

You're as tall as my brother.
She is as old as her cousin.
Your girlfriend is almost as pretty as mine.

Slide 13 - Slide

Spellingsregel 1
Woorden van twéé lettergrepen op -y krijgen ook -er / -est

Happy / Happier than / The happiest

Pretty / Prettier than / The prettiest

Slide 14 - Slide

Spellingsregel 2
Woorden van twéé lettergrepen op -le/ er/ ow 
krijgen ook -er / -est

shallow / shallower than / The shallowest

clever / cleverer than / The cleverest

Slide 15 - Slide

Spellingsregel 3
Uit je hoofd leren
Good / better than / the best
Bad / worse than / the worst

Little  / less than / the least 
many - much / more than / the most

Slide 16 - Slide



In de volgende dia vind je een video waarin alles nog eens uitgelegd wordt. Vind je het nog lastig kijk dan deze video. Als je denkt dat je alles snapt mag je de video overslaan.

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Welk rijtje is juist?
A
Good - Better - Best
B
Good - Gooder - Goodest
C
Beautiful - Beautifuler - Beautifulest
D
Small - More small - Most small

Slide 19 - Quiz

That group is _____ the other group.
A
more serious then
B
the most serious
C
more serious than
D
most serious than

Slide 20 - Quiz

Adele is famous. Lady Gaga is _____,
Michael Jackson is _____!
A
more famous, the most famous
B
famouser, the most famous
C
famouser, the famousest
D
more famouser, most famous

Slide 21 - Quiz

My friend sings ____ I do. (beautifully)

Slide 22 - Open question

It's a watermelon inside a watermelon, it's ____ thing I've ever seen! (good)

Slide 23 - Open question

She is ____ at speaking English than her classmate. (good)

Slide 24 - Open question

This film is just ____ the last film we saw. (terrifying)

Slide 25 - Open question

Extra oefenen met 
de trappen van vergelijking?



Slide 26 - Slide

Can you make comparisons?
A
Yes, I can.
B
No, I can't. I need help.

Slide 27 - Quiz

Irregular Verbs

Slide 28 - Slide

Irregular verbs

Slide 29 - Slide

Past tense regular verbs

Past tense
irregular verbs

feel
walk
drink
cook
give
have
build
catch
call
eat

Slide 30 - Drag question

Irregular verbs 3rd row.
understood
get
made
forgot
fought
begun
believed
been
since
driven
ate
awoke
bitten
tore
won

Slide 31 - Drag question

You are finished!

Slide 32 - Slide