This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Slide 1 - Slide
TODAY'S LESSON
Articles, plurals and
Personal Pronouns
Possessive Pronouns
Slide 2 - Slide
Articles
Lidwoorden
Wanneer je in het Nederlands de of het voor een zelfstandig naamwoord zet, gebruik je in het Engels the.
Wanneer je in het Nederlands een voor een zelfstandig naamwoord zet, gebruik je in het Engels a of an.
Slide 3 - Slide
a of an? ..... banana
A
a
B
an
Slide 4 - Quiz
Voorbeelden
an hour (je hoort our) = een uur
an honor (je hoort onour) = een eer
a university (je hoort juniversity) = de universiteit
a uniform (je hoort juniform) = het uniform
a European (je hoort jeuropean) = de Europeaan
Slide 5 - Slide
a of an? ..... house
A
a
B
an
Slide 6 - Quiz
a of an? .... uniform
A
a
B
an
Slide 7 - Quiz
Meervoud
De verschillende regels in het Engels
Slide 8 - Slide
Wat is het meervoud van girl?
A
Girl's
B
Girl
C
Girls
D
A,B,C zijn goed
Slide 9 - Quiz
Onthoud: nooit'sin het meervoud!
Slide 10 - Slide
Wat is het meervoud van knife?
A
Knifes
B
Knive
C
two pairs of knife
D
Knives
Slide 11 - Quiz
Wat is het meervoud van bus?
A
Buses
B
Busses
C
Bus
D
Bussen
Slide 12 - Quiz
Woordvolgorde
How does it work?
Slide 13 - Slide
Wie / doet / wat / waar / wanneer?
Zij at thuis vorige week een appel. --> Zij at een appel thuis vorige week. --> She ate an apple at home last week.
Hij praatte gisteren Engels in de winkel. --> Hij praatte Engels in de winkel gisteren. --> He spoke English in the shop yesterday.
Slide 14 - Slide
Wie
doet
wat
waar
wanneer
felt
Jess
pain
last week
in her back
Slide 15 - Drag question
Personal Pronouns
Slide 16 - Slide
Uitleg
Een persoonlijk voornaamwoord gebruiken we in plaats van een zelfstandig naamwoord: ==> een persoon, een dier, of een ding
Het meisje loopt - she walks
De jongen loopt - he walks
De kat loopt - it walks
Slide 17 - Slide
Welke persoonlijke voornaamwoorden ken je in het Engels?
Slide 18 - Open question
Uitleg
Let op: I (ik) is altijd met een hoofdletter
Slide 19 - Slide
Vervang "Susan" door een persoonlijk voornaamwoord:
A
he
B
we
C
you
D
she
Slide 20 - Quiz
Vervang "the dog" door een persoonlijk voornaamwoord:
A
he
B
it
C
you
D
I
Slide 21 - Quiz
Vervang "my friends and I" door een persoonlijk voornaamwoord:
A
I
B
they
C
we
D
you
Slide 22 - Quiz
Slide 23 - Slide
Peter is in love with his girlfriend, Anne. He loves ........ .
A
her
B
his
C
you
D
we
Slide 24 - Quiz
Persoonlijke voornaamwoorden - 2e rijtje
Slide 25 - Slide
Do you help your dad? Do you help .....?
A
she
B
he
C
him
D
her
Slide 26 - Quiz
Possessive
Pronouns
Slide 27 - Slide
Welke bezittelijke voornaamwoorden ken je?
Slide 28 - Mind map
Bezittelijke voornaamwoorden
geven bezit aan
worden dus gebruikt om aan te geven dat iets van iemand is
Slide 29 - Slide
Bezittelijke voornaamwoorden
Net zoals in het Nederlands kun je op nog een manier aangeven dat iets van iemand is:
Dat is mijnfiets.
Die fiets is van mij.
De betekenis van de zin is hetzelfde, maar de manier van zeggen is anders. Net als in het Nederlands gebruik je dan een ander bezittelijk voornaamwoord
Slide 30 - Slide
Bezittelijke voornaamwoorden - 1
Een overzicht:
mijn = my
jouw/uw = your
zijn = his
haar = her
zijn/haar (dingen) = its
onze = our
jullie = your
hun = their
Slide 31 - Slide
van mij
van jou
van hem
van haar
van ons
van jullie/u
van hen
mine
yours
his
hers
ours
yours
theirs
Bezittelijke voornaamwoorden - 2
Slide 32 - Slide
Voorbeelden
Dit is mijngitaar. -> This is myguitar. Deze gitaar is van mij. -> This guitar is mine.
Dat zijn hunboeken. -> Those are their books. De boeken zijn van hen. -> The books are theirs.
Dit is zijntas. -> This is hisbag. Deze tas is van hem. -> This bag is his.
Slide 33 - Slide
The cat has a long tail. ______ colour is white.
A
her
B
his
C
its
D
our
Slide 34 - Quiz
Susan and Mike are twins. ____ birthday is in May
A
they
B
their
C
her
D
his
Slide 35 - Quiz
You ask your friend: My pencil is broken. Can I borrow ......?