Spaans examen: woordenschat oefenen

Preparar el examen de español

1 / 24
next
Slide 1: Slide
New lesson editorSpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Preparar el examen de español

Open met het idee dat deze les gericht is op examenwoorden die leerlingen direct moeten herkennen en gebruiken: gebouwen, beroepen, plaatsaanduidingen en enkele losse woorden. Kondig ook aan dat de werkwoorden in de tegenwoordige tijd en het pretérito perfecto kort herhaald worden.

Aprender. Leren

Gramática

  • De Presente van regelmatige en onregelmatige werkwoorden (venir, cerrar, jugar, dormir, hacer, ir). p.64

  • Pretérito perfecto (onregelmatige voltooide deelwoorden romper, abrir, escribir, poner,  ver, decir, volver, hacer en freír) p.65

Vocabulario

  • 1 t/m 90 woorden Spaans - Nederlands en Nederlands Spaans

  • Gebouwen p. 62

  • Plaatsbepalingen p.62

  • Beroepen (vocabulario H6)

Escribir (pretérito perfecto). ¿Qué has hecho hoy?

Leer

This item has no instructions

Lesdoel

Preparo el examen de español de la unidad 6 para la semana de exámenes.

This item has no instructions

Welke Spaanse examenwoorden ken je al?

Gebruik de antwoorden als startpunt: verwacht gebouwen, beroepen, richtingen en werkwoorden. Haak kort aan bij bekende woorden voordat je verdergaat.

Gebouwen herkennen

In het examen moet je gebouwen op een afbeelding in het Spaans benoemen.


Let vooral op woorden voor:

  • school en studie

  • winkelen

  • vrije tijd

  • zorg en openbare plekken

Noem dat leerlingen bij dit soort vragen eerst naar functie kijken: leer je daar, koop je daar iets, krijg je daar hulp, of reis je via die plek? Dat helpt bij het herkennen van het juiste woord.

Gebouwen: veelvoorkomende woorden

  • el instituto = de middelbare school

  • el hospital = het ziekenhuis

  • la biblioteca = de bibliotheek

  • el restaurante = het restaurant

  • la piscina = het zwembad

  • el parque = het park

Deze woorden sluiten aan bij de rest van het examen, waar ook beroepen en locaties terugkomen. Leg verbanden: in een hospital werkt een médico, in een biblioteca een bibliotecario of bibliotecaria.

Gebouwen: nog meer examenwoorden

  • la farmacia = de apotheek

  • el supermercado = de supermarkt

  • la estación = het station

  • la tienda = de winkel

  • el jardín = de tuin

Niet elk woord hoeft letterlijk op de afbeelding te staan; leerlingen moeten het gebouw of de plek vaak uit de context afleiden. Wijs ook op lidwoorden: el of la horen bij het woord.

Zo onthoud je gebouwen

Koppel elk woord aan een situatie:

  • je leert op el instituto

  • je eet in el restaurante

  • je leent boeken in la biblioteca

  • je koopt medicijnen in la farmacia

Benadruk dat woordenschat beter blijft hangen in context dan in losse rijtjes. Laat eventueel mondeling extra voorbeelden geven zonder er een activiteit van te maken op de slide.

Losse woorden: set 1

Spaans → Nederlands

  • la en el horen bij het zelfstandig naamwoord

  • bici is een kort, veelgebruikt woord

  • abierto is het tegenovergestelde van cerrado

el trabajo - het werk

la bici - de fiets

abierto - open

un poco - een beetje

Let op

Je kunt bij abierto ook de link leggen naar cerrar/abrir uit het grammaticale deel. Zo zien leerlingen dat woordenschat en grammatica samenhangen.

Losse woorden: set 2

  • izquierda ↔ derecha

  • ¿Por qué? vraagt om een reden

  • mientras verbindt twee acties in één zin

Handige koppels

Spaans → Nederlands

mientras - terwijl

¿Por qué? - waarom?

izquierda - links

derecha - rechts

Bij mientras kun je een eenvoudig voorbeeld geven, zoals: Yo estudio mientras mi hermano juega. Dat maakt de betekenis direct duidelijk.

Welk woord past bij: je leent boeken?

A

la farmacia

B

la biblioteca

C

la estación

D

el restaurante

De juiste keuze is la biblioteca. De andere opties zijn ook plekken uit dezelfde woordenlijst en dus plausibele afleiders.

Gebouwen en losse woorden

Ana va al supermercado para comprar comida. Después va a la farmacia porque necesita medicinas. La farmacia está en el hospital.

En el restaurante el camarero trae una coca-coca cola a Ana.

Estudio español en la biblioteca para la semana de exámenes de CSG Liudger.

supermercado
farmacia
hospital.
camarero
biblioteca

Alle woorden komen direct uit de behandelde slides. Let op dat abierto hier logisch past als tegenstelling van cerrado.

Beroepen uit definities

Je leest een omschrijving en schrijft het beroep in het Spaans.


Let op drie dingen:

  • waar iemand werkt

  • wat iemand doet

  • welk woord logisch past

Benadruk dat leerlingen niet woord voor woord hoeven te vertalen. Ze moeten de kern herkennen: ziekenhuis + mensen beter maken = médico/médica.

Beroepen: de basiswoorden

  • el profesor / la profesora = docent

  • el médico / la médica = arts

  • el camarero / la camarera = ober

  • el jardinero / la jardinera = tuinman / hovenier

  • el bombero / la bombero= de brandweerman / de brandweervrouw

  • el granjero / la granjera = de boer / de boerin

Gebruik zowel mannelijke als vrouwelijke vormen, maar houd het eenvoudig. Als leerlingen één correcte vorm geven, is dat meestal voldoende zolang die grammaticaal klopt.

Signalen in definities

  • trabaja en un instituto → profesor / profesora

  • trabaja en un hospital → médico / médica

  • sirve comida o bebida → camarero / camarera

  • trabaja en parques y jardines → jardinero / jardinera

Wijs op sleutelwerkwoorden zoals trabaja, vende, sirve. Die geven vaak al bijna het hele antwoord weg.

Plaatsaanduidingen

Bij deze vraag beschrijf je waar iets ligt.


Belangrijke voorzetsels:

  • entre = tussen

  • debajo de = onder

  • encima de = op

Sluit aan bij de examenzin over sleutels en een tas. Leerlingen moeten niet alleen het woord kennen, maar ook de vaste combinatie met de.

Wat betekent het Spaanse voorzetsel "debajo de" in het Nederlands?

A

achter

B

onder

C

boven

D

tussen

This item has no instructions

Welke Spaanse plaatsaanduiding betekent "rechts"?

A

a la izquierda

B

detrás

C

a la derecha

D

cerca

This item has no instructions

Kies de juiste Spaanse vertaling van "tussen".

A

lejos

B

delante

C

entre

D

encima de

This item has no instructions

¿Qué has hecho hoy? Escribe 5 frases y utiliza el pretérito perfecto

This item has no instructions

De sleutels liggen boven de tas. Welke Spaanse zin past het best?

A

Las llaves están a la izquierda del bolso.

B

Las llaves están encima del bolso.

C

Las llaves están al lado del bolso.

D

Las llaves están a la derecha del bolso.

This item has no instructions

De sleutels liggen naast de tas. Welke Spaanse zin hoort erbij?

A

Las llaves están encima del bolso.

B

Las llaves están a la izquierda del bolso.

C

Las llaves están al lado del bolso.

D

Las llaves están a la derecha del bolso.

This item has no instructions

De sleutels liggen rechts van de tas. Welke Spaanse zin is correct?

A

Las llaves están a la derecha del bolso.

B

Las llaves están al lado del bolso.

C

Las llaves están encima del bolso.

D

Las llaves están a la izquierda del bolso.

This item has no instructions

De sleutels liggen links van de tas. Welke Spaanse zin past?

A

Las llaves están al lado del bolso.

B

Las llaves están a la derecha del bolso.

C

Las llaves están a la izquierda del bolso.

D

Las llaves están encima del bolso.

This item has no instructions