Lowan thema 5 De kleding werkwoorden

De kleding
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NT2Speciaal OnderwijsLeerroute 1

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

De kleding

Slide 1 - Slide

Wat leer ik?
  • Ik leer werkwoorden gebruiken: kopen, zien, hangen, sporten, aantrekken, uittrekken, zijn, hebben, zwemmen
  • Ik leer korte zinnen maken met deze werkwoorden.

Slide 2 - Slide

kopen
ik koop
jij koopt
hij / zij koopt
----------------------------------
wij kopen
zij kopen
jullie kopen

Slide 3 - Slide

Goed of fout?
Ik koop een broek in de winkel.
A
goed
B
fout

Slide 4 - Quiz

Goed of fout?
De trui koopt 20 euro.
A
goed
B
fout

Slide 5 - Quiz

zien
ik zie
jij ziet
hij / zij ziet
----------------------------------
wij zien
zij zien
jullie zien

Slide 6 - Slide

Ik ... de sandalen en de slippers.
A
zie
B
ziet
C
zient
D
zien

Slide 7 - Quiz

hangen
ik hang
jij hangt
hij / zij hangt
----------------------------------
wij hangen
zij hangen
jullie hangen

Slide 8 - Slide

Goed of fout?
De jas hangt aan de kapstok.
A
goed
B
fout

Slide 9 - Quiz

sporten
ik sport
jij sport
hij / zij sport
----------------------------------
wij sporten
zij sporten
jullie sporten

Slide 10 - Slide

Goed of fout?
De jongen gaat sporten, hij trekt zijn zomerkleren aan.
A
goed
B
fout

Slide 11 - Quiz

aantrekken
ik trek aan
jij trekt aan
hij / zij trekt aan
----------------------------------
wij trekken aan
zij trekken aan
jullie trekken aan

Slide 12 - Slide

De jongen trekt zijn broek aan of uit?
A
aan
B
uit

Slide 13 - Quiz

Goed of fout?
Hij gaat naar buiten, hij trekt zijn jas aan.
A
goed
B
fout

Slide 14 - Quiz

uittrekken
ik trek uit
jij trekt uit
hij / zij trekt uit
----------------------------------
wij trekken uit
zij trekken uit
jullie trekken uit

Slide 15 - Slide

Goed of fout?
Zij gaat naar bed, zij trekt haar kleren uit.
A
goed
B
fout

Slide 16 - Quiz

zwemmen
ik zwem
jij zwemt
hij / zij zwemt
----------------------------------
wij zwemmen
zij zwemmen
jullie zwemmen

Slide 17 - Slide

Goed of fout?
Het meisje gaat zwemmen, zij trekt haar zwembroek aan.
A
goed
B
fout

Slide 18 - Quiz

Hij ... in de zwembroek.
A
zwem
B
zwemt
C
zwemment
D
zwemmen

Slide 19 - Quiz

zijn
ik ben
jij bent
hij / zij is
----------------------------------
wij zijn
zij zijn
jullie zijn

Slide 20 - Slide

Welke zin klopt?
A
De laarzen is nieuw.
B
De schoenen zijn nieuw.
C
De laarzen zijn nieuw.
D
De laars zijn nieuw.

Slide 21 - Quiz

Goed of fout?
Oorbellen en armbanden zijn sieraden.
A
goed
B
fout

Slide 22 - Quiz

hebben
ik heb
jij hebt
hij / zij heeft
----------------------------------
wij hebben
zij hebben
jullie hebben

Slide 23 - Slide

Welke zin klopt?
A
Ik heb nieuwe winterkleding.
B
Jij hebt nieuwe winterkleding.
C
Hij hebt nieuwe winterkleding.
D
Wij hebben nieuwe winterkleding.

Slide 24 - Quiz

Schrijf op
Wat zie je op de foto?
Schrijf 3 zinnen.
Gebruik de werkwoorden: 
zien, zijn, hebben.
Bijvoorbeeld:
De man heeft zwart haar.


Slide 25 - Slide

Welk werkwoord past in de zin?
Werk in tweetallen.
Draai de spinner.
Welk werkwoord past in de zin?
Schrijf de zin op.

Slide 26 - Slide

Spel
A: Gooit de dobbelsteen (1–6).
Kijk welk werkwoord hoort bij jouw worp?
B: Gooit de dobbelsteen (1–6).
Kijk welk woord hoort bij jouw worp?
Maak samen een zin en schrijf op!

Slide 27 - Slide

Welk werkwoord vind jij moeilijk?

Slide 28 - Open question

Ik kan korte zinnen maken met de werkwoorden.
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll