V2 Passé composé (être)

Le passé composé

Doel: je weet hoe je iets zegt in de verleden tijd in het Frans.
1 / 18
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Le passé composé

Doel: je weet hoe je iets zegt in de verleden tijd in het Frans.

Slide 1 - Slide

Wat is de passé composé?
De passé composé is in het Nederlands de voltooid tegenwoordige tijd.
Bijvoorbeeld:
Hij heeft gegeten. = Il a mangé.
a = hulpwerkwoord (avoir)
mangé = voltooid deelwoord. 

Slide 2 - Slide

De passé composé (PC)
stap 1:
schrijf de juiste vorm van avoir op
stap 2:
zet het voltooid deelwoord erachter
er --> é 

Slide 3 - Slide

tu (manger = eten, passé composé)


A
as mangé
B
a mangé
C
est mangé
D
es mangé

Slide 4 - Quiz

Avoir of être als hulpwerkwoord?
In het Frans kun je avoir en être bij de passé composé niet altijd letterlijk vertalen
Ik ben begonnen wordt --> j'ai commencé.

Je gebruikt être als hulpwerkwoord bij werkwoorden die te maken hebben met: komen, weggaan of blijven. 

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

De passé composé met être:

Paul est allé en France.
Marie est alléaux Pays-Bas.
Paul et Jean sont alléS en Allemagne.
Marie et Nina sont alléES au Portugal.

Slide 7 - Slide

enkelvoud
meervoud
mannelijk
-
s
vrouwelijk
e
es

Slide 8 - Slide

Aller (gaan) in de passé composé.
je suis allé(e)
tu es allé(e)
il est allé/elle est allée/on est allé(e)(s)

nous sommes allé(e)s
vous êtes allé(e)(s)
Ils sont allés/elles sont allées

Slide 9 - Slide

elles sont................(partir)
Hoe schrijf je: vertrokken?
A
parti
B
partis
C
parties
D
partie

Slide 10 - Quiz

Daisy ___ ___ hier soir. (sortir)
Hoe schrijf je: is uitgegaan?
A
est sortie
B
es sortie
C
est sortis
D
est sorties

Slide 11 - Quiz

elle est ... .(venir)
Hoe schrijf je: gekomen?
A
venue
B
venu
C
venus
D
venues

Slide 12 - Quiz

hij is gevallen
A
il est tombée
B
il est tombé
C
il a tombe
D
il est tomber

Slide 13 - Quiz

Vous ... ... .(arriver)
Jullie zijn aangekomen.
A
Vous avez arrivé
B
Vous êtes arrivés

Slide 14 - Quiz

Uitzonderingen PC
Ik heb gegeten, ik heb gelopen, wij zijn gegaan.
avoir/etre + voltooid deelwoord (é, i, u)

avoir = hebben --> gehad = eu --> ik heb gehad = j'ai eu
être = zijn --> geweest = été --> ik ben geweest = j'ai été
faire = maken/doen --> gemaakt = fait -->
 ik heb gemaakt = j'ai  fait

Slide 15 - Slide

Au travail!
Ex 16 A, B et C blz. 24

Slide 16 - Slide

Evaluatie
Evaluatie: ik weet hoe je iets zegt in de verleden tijd in het Frans.

Slide 17 - Slide

Au travail!
ex 16A, 16B, 16C & 16D p. 24

Slide 18 - Slide