Chapter 2 lesson 5

Lesson plan
Check your answers
Vocab quiz
Grammar
Writing
Homework


1 / 38
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Lesson plan
Check your answers
Vocab quiz
Grammar
Writing
Homework


Slide 1 - Slide

Check your answers p35 WB
ex 18
1 Aaron Firestein 
2 Zijn eigen sportschoenen. 
3 Ze zijn uniek. Er staan kunstwerken op. Er staan unieke ontwerpen op. 
4 Op Facebook. 

Slide 2 - Slide


tijdens
studie (college)
Zuid-Amerika
nu
Aaron verkoopt zijn eerste custom-made sportschoenen.
x
Aaron heeft zijn eigen bedrijf.
x
Aaron ontmoet Raaja.
x
Aaron bezoekt sloppenwijken voor een project.
x
Aaron krijgt een bijnaam.
x
Aaron heeft plannen om weer nieuwe schoenen te gaan ontwerpen.
x

Slide 3 - Slide

Platteland

Slide 4 - Open question

Shape

Slide 5 - Open question

Fabriek

Slide 6 - Open question

portemonnee

Slide 7 - Open question

uitrusting

Slide 8 - Open question


Bijvoeglijke naamwoorden & Bijwoorden
(Adjectives & Adverbs)


Slide 9 - Slide

Vandaag...
Werkwoord / Zelfstandig naamwoord
Bijvoegelijk naamwoord / Bijwoord

Doel: aan het einde van de les weten we het verschil tussen een bijvoeglijk naamwoord en het bijwoord
en weten we hoe we deze moeten toepassen.

Slide 10 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord (adjective)
Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een
zelfstandig naamwoord.

Zelfstandig naamwoorden zijn mensen, dieren, dingen
en je kunt er vaak de, het of een voor zetten.

Slide 11 - Slide

Bijvoeglijk naamwoord (adjective)
Het mooie meisje
Een makkelijk vak
De fantastische show
De groene auto
-> The beautiful girl
-> An easy subject
-> The fantastic show
-> The green car

Slide 12 - Slide

Bijwoord (adverb)
Een bijwoord zegt iets over een werkwoord (de manier waarop iets gebeurt, actie in de zin).

Een werkwoord is iets wat je kunt doen: doewoord.
fietsen - schrijven
praten - kijken
koken - slapen

Slide 13 - Slide

Bijwoord (adverb)
Madonna sings beautifully.
("beautifully" zegt iets over de manier van zingen.)

The dog ate slowly.
("slowly" zegt iets over de manier van eten)

We walk quickly.
("quickly" zegt iets over de manier van lopen)



Slide 14 - Slide

De meeste bijwoorden worden gevormd door -ly toe te voegen aan het bijvoeglijke naamwoord.
beautiful
careful
nice
slow
quick

-> beautifully
-> carefully
-> nicely
-> slowly
-> quickly

Slide 15 - Slide

De meeste bijwoorden worden gevormd door -ly toe te voegen aan het bijvoeglijke naamwoord.
Bijwoorden die eindigen op
-le wordt -ly



terrible
horrible
incredible
-> terribly
-> horribly
-> incredibly

Slide 16 - Slide

De meeste bijwoorden worden gevormd door -ly toe te voegen aan het bijvoeglijke naamwoord.
Bijwoorden die eindigen op:
medeklinker + -y wordt  -ily


easy
happy
angry
-> easily
-> happily
-> angrily

Slide 17 - Slide

De meeste bijwoorden worden gevormd door -ly toe te voegen aan het bijvoeglijke naamwoord.
Bijwoorden die eindigen op:
-ic wordt -ally

fantastic
classic
ironic
-> fantastically
-> classically
-> ironically

Slide 18 - Slide

Sommige bijwoorden hebben een onregelmatige vorm of hebben dezelfde vorm als bijvoeglijk naamwoord
Good wordt well
He's a good painter. He paints well.
Fast blijft fast
You're a fast runner. You run fast.

Slide 19 - Slide

Wat is juist?
Een bijwoord eindigt altijd op:
A
-S
B
-ING
C
-LY
D
-ES

Slide 20 - Quiz

Wat is juist?
She is a ..... girl.
A
beautiful
B
beautifully

Slide 21 - Quiz

Wat is juist?
She sings .....
A
beautiful
B
beautifully

Slide 22 - Quiz

Wat is juist?
I can ..... find an exit.
A
easy
B
easily

Slide 23 - Quiz

Wat is juist?
This is an ..... exercise.
A
easy
B
easily

Slide 24 - Quiz

Wat is juist?
Let's have a ..... lunch.
A
quick
B
quickly

Slide 25 - Quiz

Wat is juist?
Some people like to eat very .....
A
quick
B
quickly

Slide 26 - Quiz

Wat is juist?
The rockband played the song .....
A
slow
B
slowly

Slide 27 - Quiz

Wat is juist?
The lead singer is .....
A
slow
B
slowly

Slide 28 - Quiz

Wat is juist?
'The haunting of Hill House' is a ..... series.
A
scary
B
scarily

Slide 29 - Quiz

Wat is juist?
The thieves were ..... walking around.
A
nervous
B
nervously

Slide 30 - Quiz

Wat is juist?
He is always .....
A
nervous
B
nervously

Slide 31 - Quiz

Wat is juist?
The football player made a ..... movement.
A
sudden
B
suddenly

Slide 32 - Quiz

Wat is juist?
Mr Trump ..... fell in the grass.
A
sudden
B
suddenly

Slide 33 - Quiz

Wat is juist?
She thought the boy was very .....
A
nice
B
nicely

Slide 34 - Quiz

Wat is juist?
He spoke ..... to her parents.
A
nice
B
nicely

Slide 35 - Quiz

Wat is juist?
I hope you all made the exercise very .....
A
good
B
well

Slide 36 - Quiz

Ik weet het verschil tussen een bijvoegelijk naamwoord en het bijwoord en kan deze toepassen.
A
ja
B
nee
C
een beetje
D
met hulp

Slide 37 - Quiz

Worktime:
 --> Do: ex 25 and 26 p 40 WB


Homework for Monday
Finish ex 25 and 26
Study Vocabulary G,H, I p 30TB




Slide 38 - Slide