BLB vraagzinnen met vraagwoord

Vraagwoorden 
en 
vraagzinnen
1 / 36
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Items in this lesson

Vraagwoorden 
en 
vraagzinnen

Slide 1 - Slide

Eerst herhalen 1-2-3 zinnen
1:____________
2:____________
3:____________

Slide 2 - Slide

Eerst herhalen 1-2-3 zinnen
1: wie / wat (onderwerp)
2: werkwoord (persoonsvorm)
3: de rest van de zin

Slide 3 - Slide

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
De man
gaat
naar huis.

Slide 4 - Drag question

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
kort.
De dagen
zijn

Slide 5 - Drag question

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
gaat
heel snel.
De tijd

Slide 6 - Drag question

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
1
2
3
Het meisje
zwemmen in de zomer leuk.
vindt

Slide 7 - Drag question

      Ariana                        leert                           voor de toets.
      Ik                                 doe                            een dansje.
      De klok                      hangt                        aan de muur.
      De leerlingen           gaan                          naar huis. 

 


onderwerp
persoonsvorm
rest

Slide 8 - Slide

Welke vraagwoorden
ken je nog?

Slide 9 - Mind map

WAT?
Wat eet jij?
Ik eet een appel.
Wat = een ding

Slide 10 - Slide

WIE?
Wie leert voor de toets?
Thomas leert voor de toets.
Wie = personen

Slide 11 - Slide

WAAR?
Waar hangt de klok?
De klok hangt aan de muur.
Waar = plaats 

Slide 12 - Slide

WANNEER?
Wanneer heb jij muziek?
Op maandag heb ik muziek.
Wanneer = datum/tijd

Slide 13 - Slide

Waarom?
Waarom ga jij naar huis?
Omdat ik ziek ben.
Waarom = reden 

Slide 14 - Slide

Hoe?
Hoe gaan de leerlingen naar school?
De leerlingen met de bus gaan naar school.
Hoe = manier

Slide 15 - Slide

_______ is moe?
A
Wie
B
Wat
C
Wanneer
D
Hoe

Slide 16 - Quiz

_____ doe je?
A
Wie
B
Wat
C
Hoe
D
Wanneer

Slide 17 - Quiz

______ is boos?
A
Wanneer
B
Waar
C
Wat
D
Wie

Slide 18 - Quiz

_________ ben je thuis? Ik ben ziek.
A
Waar
B
Wanneer
C
Waarom
D
Hoe

Slide 19 - Quiz

_________ is de school? In Emmen.
A
Wie
B
Wanneer
C
Waarom
D
Waar

Slide 20 - Quiz

___________ hebben we de toets? Vrijdag.
A
Waar
B
Wanneer
C
Waarom
D
Hoe

Slide 21 - Quiz

_______ ga jij naar school? Om Nederlands te leren.
A
Wie
B
Hoe
C
Waarom
D
Waar

Slide 22 - Quiz

______ kom jij naar school? Met de bus.
A
Waarom
B
Hoe
C
Wat
D
Wie

Slide 23 - Quiz

Vraagwoordvragen
De leerling komt met de bus naar school.


Hoe komt de leerling naar school?


Oefenen van zinnen die met een vraagwoord beginnen.

Slide 24 - Slide

Wanneer         leert            Ariana                  voor de toets?
Waarom           ga                  ik                            naar huis?
Waar               hangt         de klok?
Hoe                  gaan       de leerlingen              naar huis?

wie / wat
werk-
woord
rest
vraagwoord
Vraagwoordvragen

Slide 25 - Slide

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
2
3
1
is
Waar
de wc?

Slide 26 - Drag question

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
2
3
1
gaat
Hoe
het?

Slide 27 - Drag question

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
2
3
4
1
kom
Hoe 
jij
naar school?

Slide 28 - Drag question

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
2
3
4
1
in zijn tas?
de pen
Wie
heeft

Slide 29 - Drag question

Sleep de woorden naar de goede plaats. 
2
3
4
1
maak
een toets?
jij
Waarom

Slide 30 - Drag question


Maak een vraag bij dit antwoord:
Sofie gaat morgen naar school.

Slide 31 - Open question


Maak een vraag bij dit antwoord:
Anna eet een appel.

Slide 32 - Open question


Maak een vraag bij dit antwoord:
Sara koopt kaas en melk in de winkel.

Slide 33 - Open question


Maak een vraag bij dit antwoord:
Karel gaat naar huis want hij is ziek.

Slide 34 - Open question


Maak een vraag bij dit antwoord:
De leerlingen gaan met de bus naar Amsterdam.

Slide 35 - Open question

Ik begrijp de vraagzinnen.
๐Ÿ˜’๐Ÿ™๐Ÿ˜๐Ÿ™‚๐Ÿ˜ƒ

Slide 36 - Poll