V1 Semaine 11 - herhaling grammatica ch. 2 et 3

Herhalingsles
Grammaire chapitre (1), 2 et 3:
  • Ch. 1 Bron D & H  -  lidwoord & avoir
  • Ch. 2 Bron D - werkwoorden op -er
  • Ch. 2 Bron H - ontkenning
  • Ch. 3 Bron D - être
  • Ch. 3 Bron H - bezittelijk voornaamwoord
  • De dagen van de week - blz. 132
1 / 40
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 35 min

Items in this lesson

Herhalingsles
Grammaire chapitre (1), 2 et 3:
  • Ch. 1 Bron D & H  -  lidwoord & avoir
  • Ch. 2 Bron D - werkwoorden op -er
  • Ch. 2 Bron H - ontkenning
  • Ch. 3 Bron D - être
  • Ch. 3 Bron H - bezittelijk voornaamwoord
  • De dagen van de week - blz. 132

Slide 1 - Slide

Tes objectifs
  • Ik weet hoe ik me moet voorbereiden op de toets.
  • Ik kan de lidwoorden gebruiken
  • Ik kan de werkwoorden être en avoir nog steeds vervoegen.
  • Ik kan werkwoorden op -er vervoegen.
  • Ik kan zinnen ontkennend maken.
  • Ik kan het bezittelijk voornaamwoord gebruiken.
  • Ik ken de dagen van de week in het Frans.

Slide 2 - Slide

Lidwoorden "de" en "het"
le = mannelijk 
la = vrouwelijk 
l' = als er een klinker of een stomme "h" achter komt 
les = meervoud 


Voorbeeld:
la fille, le garcon, l'ami, les campings

Slide 3 - Slide

Lidwoord "een"
un = mannelijk 
une = vrouwelijk 
des = meervoud 


voorbeeld : 
une fille, un garcon, des amis 

Slide 4 - Slide

J' .... (avoir)
A
ai
B
as
C
ont
D
avons

Slide 5 - Quiz

Ch. 1 avoir = hebben

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Voorbeeld: Paul et marc sont amis. Paul a treize ans 

Slide 8 - Slide

Nous (avoir)
A
avez
B
avons
C
sommes
D
êtes

Slide 9 - Quiz

Paul et Marc .... au collège
A
est
B
sommes
C
sont
D
es

Slide 10 - Quiz

Elles .... (avoir)
A
a
B
es
C
est
D
ont

Slide 11 - Quiz

Tu .... 13 ans
A
avons
B
es
C
as
D
suis

Slide 12 - Quiz

Regelmatige ww op -er
De meeste werkwoorden in het Frans eindigen op -ER. 
Bijvoorbeeld:
  • danser = dansen
  • travailler = werken
  • habiter = wonen
Bijna al deze werkwoorden worden op dezelfde manier vervoegd. Dit noemen we de regelmatige werkwoorden. 

Slide 13 - Slide

De stam
De stam maak je door -ER van het hele werkwoord  af te halen. Later plak je hier de uitgangen achter.

Bijvoorbeeld:
habiter --> habit
danser --> dans-
travailler --> travaill

Slide 14 - Slide

De uitgangen

Slide 15 - Slide

Tu te souviens? 

Slide 16 - Slide

Uitleg / Instruction: de ontkenning

Slide 17 - Slide

Plaats in de zin
Ontkenning bestaat uit twee delen: ne ... pas

ne zet je voor de persoonsvorm (1e werkwoord)
pas zet je na de persoonsvorm (1e werkwoord)

Voor een klinker (a, i, o, u) of stomme h (habite) verandert ne in n'

Slide 18 - Slide

Betekenis ne...pas
In het Nederlands zeggen we geen of niet:

Ik kijk de film <--> Ik kijk de film niet.
Ik eet pizza <--> Ik eet geen pizza.

Slide 19 - Slide

Voorbeelden
Je regarde le film <--> Je ne regarde pas le film.
Anne habite à Utrecht <--> Anne n'habite pas à Weert

Let op: het werkwoord is meestal het tweede woord in de zin!



Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Ch. 3 Bron H
Het bezittelijk voornaamwoord
Le pronom possessif

Slide 23 - Slide

Weet je nog?
In het Frans is
het Zelfstandig Naamwoord
altijd erg belangrijk!
KIJK NAAR:




1. geslacht van dat zelfstandig naamwoord
2. of het enkelvoud of meervoud is

Slide 24 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord
in het Nederlands:


het gaat om :
(het geslacht van)


die iets bezit
en of het om 1 persoon
of meerdere personen gaat





Bezittelijk voornaamwoord
in het Frans


het gaat om :
het  geslacht van


en of er van dat
zelfstandig naamwoord
er maar 1 is of meerdere zijn
de persoon
het zelfstandig naamwoord

Slide 25 - Slide

Bezittelijk voornaamwoord
in het Nederlands:








Bezittelijk voornaamwoord
in het Frans



zijn
haar
mijn
jouw
onze
mnl
ev
vrl
ev
mnl
mv
vrl
mv

Slide 26 - Slide

Mijn
ma maison
mon chien
mes livres
mes glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 27 - Slide

Jouw
ta maison
ton chien
tes
livres
tes glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 28 - Slide

Zijn/Haar
sa maison
son chien
ses
livres
ses glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 29 - Slide

onze
notre
 
maison
notre chien
nos
livres
nos glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 30 - Slide

uw/jullie
votre
 
maison
votre chien
vos
livres
vos glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 31 - Slide

hun
leur
 
maison
leur chien
leurs
livres
leurs glaces
enkelvoud
meervoud

Slide 32 - Slide

Voorbeelden zelfst. nw. vrl. enkelvoud
(de jongen of het meisje zegt) "ça c'est ma mère"
het is zijn of haar moeder: "C'est sa mère"
het is jouw moeder: "C'est ta mère"
het is onze moeder: "C'est notre mère"
het is uw/jullie moeder: "C'est votre mère"
het is hun moeder: "C'est leur mère"

Slide 33 - Slide

Voorbeelden zelfst. nw. mnl. enkelvoud
(de jongen of het meisje zegt) "ça c'est mon père"
het is zijn of haar vader: "C'est son père"
het is jouw vader: "C'est ton père"
het is onze vader: "C'est notre père"
het is uw/jullie vader: "C'est votre père"
het is hun vader: "C'est leur père"

Slide 34 - Slide

Voorbeelden zelfst. nw. mnl/vrl meervoud
"ce sont nos mères" - onze moeders
"ce sont nos pères" - onze vaders
"ce sont nos parents" - onze ouders
"ce sont vos mères" - uw/jullie moeders
"ce sont vos pères" - uw/jullie vaders
"ce sont vos parents" - uw/jullie ouders
"ce sont leurs mères" - hun moeders
"ce sont leurs pères" - hun vaders
"ce sont leurs parents" - hun ouders

Slide 35 - Slide

Schema

mijn
jouw
haar/zijn

ons/onze
uw/jullie
hun


mannelijk
mon
ton
son

notre
votre 
leur
vrouwelijk
ma
ta
sa

notre
votre
leur
meervoud
mes
tes
ses

nos
vos
leurs

Slide 36 - Slide

Let op klinkerbotsing en stomme h!
Als het zelfstandig naamwoord vrouwelijk is EN begint met een klinker of stomme h, dan gebruik je mon, ton, son.
Julie est mon amie.
C'est mon histoire.

Slide 37 - Slide

En tot slot...

Les jours de la semaine!

Slide 38 - Slide

Slide 39 - Slide

Oefenen voor de toets:
  1. Maken Chapitre 4: Ex. 13, 14, 16ab, 17ab, 18
  2. Maken 'Bilan' Chapitre 3 online

Bonne chance!

Slide 40 - Slide