TL4 DUITS examentraining: Wist je dat? 2026

Examentraining Duits 2026
1 / 27
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo k, g, tLeerjaar 4

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 75 min

Items in this lesson

Examentraining Duits 2026

Slide 1 - Slide

Wanneer is het examen Duits?
  • maandag 18 mei 09:00 - 11:00 uur vmbo TL
  • voor leerlingen met dyslexie half uur langer

Slide 2 - Slide

Wist je dat...
Een foto bij de tekst kan aangeven of er positief of negatief over een onderwerp wordt geschreven? Als je bij een tekst bijvoorbeeld een foto ziet van een lachende persoon, dan weet je dat de tekst positief is over het onderwerp.

Slide 3 - Slide

Wist je dat ...
Het handig is om altijd markeerstiften bij het maken van een tekst te hebben? Dan kun je namelijk bij globaal lezen woorden of zinnen markeren waarin volgens jou het antwoord moet staan, en zie je makkelijk welke stukjes je nog eens nauwkeurig moet lezen om het antwoord te vinden.

Slide 4 - Slide

Wist je dat …
Een samenvattingsvraag gemiddeld wel 10x in een examen voorkomt? Dat is 25% van je puntentotaal. Bestudeer de strategie voor deze vraag nogmaals heel goed!

Slide 5 - Slide

Wist je dat …
De punten bij een beweringenvraag niet ‘eerlijk’ verdeeld zijn? Als er vier beweringen zijn en de vraag twee punten waard is, krijg je pas bij drie goede antwoorden één punt en alleen vier goede antwoorden leveren de volle twee punten op.

Slide 6 - Slide

Wist je dat …
Je op het centraal examen gemiddeld 3 minuten per vraag de tijd hebt? Het opzoeken van een woord duurt gemiddeld al 60 seconden. Wees daarom zuinig met het gebruik van een woordenboek en leer zo veel mogelijk signaalwoorden en veelvoorkomende vragen uit je hoofd.

Slide 7 - Slide

Wist je dat …
Signaalwoorden verbanden aangeven in de tekst? Als het goed is heb je deze voor je PTA-toets 4.4 geleerd. 
Niet goed gedaan of vergeten? 
Leer deze alsnog uit je hoofd, want ze gaan je helpen het goede antwoord sneller te vinden! 

Slide 8 - Slide

Wist je dat …
Als je bijvoorbeeld drie redenen moet geven en je schrijft er vier op, je leraar alleen de eerste drie antwoorden mag beoordelen? Dus als je derde reden fout is, maar je vierde wel goed, mag hij daar helaas toch geen punten voor geven. Houd je goed aan de gevraagde aantallen.

Slide 9 - Slide

Wist je dat …
Lange-antwoordvragen vaak twee of meer punten waard zijn? Het is dus wel de moeite waard om hier even de tijd voor te nemen.

Slide 10 - Slide

Wist je dat …
Het bij meerkeuzevragen kan helpen om eerst zelf een antwoord te formuleren? Daarna lees je pas de meerkeuzeopties en kies je degene die het meest op jouw eigen antwoord lijkt. Zo word je minder snel door afleiders in verwarring gebracht.

Slide 11 - Slide

signaalwoorden
Een signaalwoord in een zin vertelt iets over het verband tussen die zin  en de zin daarvoor. 
Signaalwoorden geven je inzicht in de structuur van de tekst. 
Daarnaast staan de antwoorden op de vragen vaak na of in de buurt van de signaalwoorden!!!!!!

Slide 12 - Slide

vertaal: aber
Ich würde gerne kommen, aber habe keine Zeit
A
echter
B
omdat
C
maar
D
hoewel

Slide 13 - Quiz

vertaal: auch
Ich habe einen Bruder und auch eine Schwester
A
en
B
ook
C
maar
D
hoewel

Slide 14 - Quiz

vertaal: statt
Statt Französisch hat meine Freundin jetzt Erdkunde
A
of
B
in plaats van
C
ook
D
daarom

Slide 15 - Quiz

Vertaal: obwohl
Obwohl ich gerne Sport treiben, fahre ich immer mit dem Auto in die Stadt

Slide 16 - Open question

Vertaal: zum Beispiel
Ich esse gerne Obst; Erdbeeren mag ich zum Beispiel sehr

Slide 17 - Open question

Vertaal: daher
Ich trainiere 4 Mal in die Woche. Daher habe ich viele Muskeln

Slide 18 - Open question

Vertaal: weil
Ich spreche Spanisch weil ich immer in Spanien Urlaub mache
A
want
B
wegens
C
omdat
D
dat

Slide 19 - Quiz

Vertaal: je
Bist du je in Australien gewesen?
A
ooit
B
overigens
C
bij voorbeeld
D
hoe

Slide 20 - Quiz

Vertaal: der Verfasser
Was meint der Verfasser dazu?

Slide 21 - Open question

Vertaal: Gegensatz
Was bedeutet diesen Gegensatz

Slide 22 - Open question

wann? 
was? 
wer? 
wie?
wo?
woher?
wohin? 
wanneer?
 wat?
 wie?
 hoe?
waar?
waarvandaan?
waarheen? 

Slide 23 - Drag question

Wat betekent het woord schliessen in de volgende zin:
Was kann man aus dem 1. Absatz schließen?
A
sluiten
B
beslissen
C
concluderen
D
besluiten

Slide 24 - Quiz

Welche Frage passt in die Lücke in Absatz 4? betekent:
Welke vraag past op de open plek in alinea 4?
goed
fout

Slide 25 - Poll

ENDE
 Noch Fragen?

Slide 26 - Slide

Ik ken de woordjes uit de Examenreader 4GT
0100

Slide 27 - Poll