H2 - Periode 2, les 12 (Les 9 U4) - KOL (13-1-22)

Bienvenidos
Havo 2
Unidad 4
Lección 12
Sra. van de Koot
¿Qué día y qué fecha es hoy?
1 / 42
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

Bienvenidos
Havo 2
Unidad 4
Lección 12
Sra. van de Koot
¿Qué día y qué fecha es hoy?

Slide 1 - Slide

El programa
  • 25 min - Quiz
  • 15 min  - Juego de verbos 
  • 20 min  - Examen período 2 + estudiar
  • Deberes

Slide 2 - Slide

Vertaal: el juego
A
het spel
B
het boek
C
spelen
D
de dans

Slide 3 - Quiz

Vertaal: la revista
A
het tijdschrift
B
de film
C
het bericht
D
de activiteit

Slide 4 - Quiz

Geef de juiste vervoeging:
A mí ............ los libros
A
me gusta
B
me gustara
C
me gustan
D
te gusta

Slide 5 - Quiz

Geef de juiste vervoeging:
A ella .............. el gato
A
se gusta
B
le gusta
C
se gustan
D
le gustan

Slide 6 - Quiz

Vertaal: 27
A
veinte y sietes
B
veintiseis
C
veintesiete
D
veintisiete

Slide 7 - Quiz

Vertaal: 55
A
cinco cinco
B
cincuenta y cinco
C
cinquenta y cinqo
D
ciento cienquenta cinco

Slide 8 - Quiz

Geef de juiste vervoeging:
Nosotros ..............a la playa
A
vamos
B
amos
C
voy
D
iramos

Slide 9 - Quiz

Geef de juiste vervoeging:
Yo ............. al colegio hoy
A
iro
B
voy
C
va
D
vamos

Slide 10 - Quiz

Vertaal: ver la tele
A
muziek luisteren
B
gitaar spelen
C
bespelen
D
televisie kijken

Slide 11 - Quiz

Vertaal: aprender español
A
Spaans leren
B
Spaans spreken
C
Spaans maken
D
Spaanse les

Slide 12 - Quiz

Geef de juiste vervoegingen:
1. (A mí, gustar) ...............jugar al fútbol.
2. Nosotros (dormir) ..............a las diez de la noche.
3. Yo (hacer)............mis deberes.
4. Pedro y tú (estudiar).............. mucho. 
5. Ellos (acostarse) .............temprano. 
6. María (jugar) ..........al baloncesto.  

Slide 13 - Slide

Vertaal: 
1. Eschuchamos música a las tres de la tarde. 
2. Son las dos menos diez. 
3. No hay nadie en la clase de (in de les van) historia. 
4. Como la merienda cada día. 
5. Ik train geen drie uur per week. 
6.  Eet je op school?
7. In mijn vrije tijd doe ik mijn huiswerk. 

Slide 14 - Slide

15 min - Werkwoordenspel 



  1. Klik op de spinner in de presentatie. Kijk welk werkwoord je moet vervoegen
  2. Gooi een dobbelsteen en kijk welke vervoeging je moet geven. 
1 = ik-vorm
2 = jij-vorm
3 = hij/zij/u vorm 
4 = wij-vorm
5= jullie-vorm
6= hij/zij/u meervoud vorm 

Slide 15 - Slide

Leerdoelen van dit hoofdstuk :
-  je leert praten over activiteiten en hobby's, kloktijden en dagen van de week
- je leert zeggen hoe vaak je iets doet
- je herhaalt de regelmatige ww
- je herhaalt gustar
- je leert de onregelmatige ww: hacer, jugar, salir, ir
- je leert de wederkerende ww : levantarse en acostarse
- je leert de uitspraak van de z,s,c





Slide 16 - Slide

Examen período 2 - H4
1. Vocab 4.1 t/m 4.4 in beide richtingen
2. Frases clave p.6-7
3. Grammatica: leer ook de voorbeelden uit de grammatica.
Ontkenning (Negación) (gram. nr. 17ab)
Zeggen hoe vaak je iets doet (gram. nr. 20)
Kloktijden (gram. nr. 22, TB p.58 gele strook)
Getallen 0-100 (TB. p. 97)
Werkwoord Gustar (gram. nr. 34ab)
Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd (presente) (gram. nr. 35)
Onregelmatige ik-vorm (gram. nr. 39-40)
Onregelmatige werkwoorden: ir, jugar, dormir, acostarse, levantarse (gram. nr. 41, 43, 44, 47

Slide 17 - Slide

¿Preguntas? 
Vragen?
Extra uitleg? 

Slide 18 - Slide

Números 0-100
..

Slide 19 - Slide

Números 0-100

Slide 20 - Slide

Números 0-100
Let op(1)! 
Op de volgende getallen staat een accentje!

16  = dieciséis
22 = veintidós
23 = veintitrés
26 = veintiséis

Slide 21 - Slide

Números 0-100
Let op(2)! 

21 t/m 29 schrijf je aan elkaar vast (let op de ‘i’ tussen de getallen)
  21 = veintiuno
  22 = veintidós




Vanaf 31 schrijf je de getallen los van elkaar en zet je ‘y’ tussen de getallen.
 48 = cuarenta y ocho
 96 = noventa y seis

Slide 22 - Slide

Números 0-100
We gaan oefenen!

Luister naar de telefoonnummers en probeer de getallen op te schrijven die je hoort. Het geeft niet als je niet alles in 1 keer hoort, we gaan gewoon een paar keer luisteren. 

Slide 23 - Slide

Slide 24 - Slide

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Los números hasta cien
30  = treinta                                    80 = ochenta
31  = treinta y uno                        90 = noventa
32 = treinta y dos                       100 = cien
40 = cuarenta                              101 = ciento uno
50 = cincuenta                            
60 = sesenta
70 = setenta
56
76
89
162

Slide 28 - Slide

Kloktijden 

Slide 29 - Slide

0

Slide 30 - Video

Slide 31 - Slide

KLOKKIJKEN

¿Qué hora es?                      - Hoe laat is het?


Het is acht uur.                      - Son las ocho.

Het is acht uur precies.     - Son las ocho en punto.

Het is vijf over acht.             - Son las ocho y cinco.

Het is kwart voor acht.       - Son las ocho menos cuarto.

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide



Het is vijf uur


Son las cinco.



Om vijf uur


A las cinco

Let op verschil:

Slide 34 - Slide

Slide 35 - Slide

Para preguntar la hora.
¿Qué hora es?                              Hoe laat is het?
Es la una.                                        Het is 1 uur.
Son las dos y cuarto.                Het is kwart over twee.
¿A qué hora te levantas?        Om hoe laat sta je op?
A las siete de la mañana.        Om 7 uur 's ochtends.

Slide 36 - Slide

Los partes del día
Por la mañana                                  's ochtends
Por la tarde                                        's middags
Por la noche                                      's avonds
Son las siete de la mañana        het is 7 uur 's ochtends
Son las cuatro de la tarde           het is 4 uur 's middags
Son las nueve de la noche          het is 9 uur 's avonds
in combinatie met een tijd gebruik je de la mañana/de la tarde/de la noche

Slide 37 - Slide

¿Qué hora es?
  1. 14.30
  2. 13.30
  3. 19.28
  4. 15.36
  5. 10.15
  6. 11.45
  7. 12.55
Son las dos y media
Es la una y media
Son las siete y veintiocho
Son las cuatro menos veinticuatro
Son las diez y cuarto
Son las doce menos cuarto
Es la una menos cinco

Slide 38 - Slide

verbo: ir = gaan
yo
él/ella/usted

nosotros/-as
vosotros/-as
ellos/ellas/ustedes
voy
vas
va

vamos
vais 
van
+ a = naar
a + el = al

Slide 39 - Slide

gustar
A mí
A tí
A él/ella/usted

A nosotros/-as
A vosotros/-as
A ellos/ellos/ ustedes
me 
te
le
            +
nos 
os 
les

gusta  (+ ev OF werkwoord)
gustan (+ mv)

        vergeet het lidwoord niet!

Slide 40 - Slide

¿Qué has aprendido? (Wat heb je geleerd?)
¿Cómo has trabajado? (Hoe heb je gewerkt?)
¿Cómo vas a preparar para el exámen? (Hoe ga je voorbereiden voor de toets?)

Slide 41 - Open question

Los deberes

Leren voor de toets!


    Slide 42 - Slide