4.2 De macht van de koning

1 / 54
next
Slide 1: Slide
geschiedenisVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

This lesson contains 54 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon is thuis/kluis (of in het Zakkie in de schooltas)
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 
timer
3:00

Slide 2 - Slide

This item has no instructions


Leg met behulp van bron 1 en 2 uit of er in de Republiek wel of geen sprake was van godsdienstvrijheid.

Terugblik-opdracht:

Slide 3 - Open question

Karel V trok alle macht naar zich toe, dat betekent dat anderen hun macht verloren (1p). Zo wilden de steden, gewesten en de adel hun voorrechten (privileges) behouden /particularisme / ze waren boos over de harde vervolging van de protestanten.

Gewetensvrijheid in de Republiek

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Aan de slag
Wat?



Wat waren de oorzaken van de “Gouden Eeuw”?

Hoe?
    - in tweetallen
    - maak gebruik van je aantekeningen (Cornell-methode)

Hoelang?
10 min.




Slide 5 - Slide

This item has no instructions

De Republiek in de Gouden Eeuw

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

De Republiek in de Gouden Eeuw

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

H4. Verlichting en Revolutie
Waardoor ontstonden in de 18e eeuw nieuwe ideeën over de samenleving en hoe leidden deze ideeën tot de Franse Revolutie?

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Slide 9 - Slide

Pruiken staan symbool voor de rijkdom van de regenten (adel) > zij hadden de macht in handen
Revoluties: mensen komen in opstand, zij zijn het er niet mee eens dat zij ongelijk zijn > Amerikaanse, Franse en Bataafse Revolutie

Waarom wordt de 18e eeuw ook wel de tijd van "pruiken en revoluties" genoemd?

Slide 10 - Mind map

2. Voorkennis activeren
De docent activeert relevante voorkennis aan de hand van een terugblik-opdracht, waarbij eventueel een beroep op de thuistalen wordt gedaan. Op deze manier biedt de docent een kapstok om nieuwe stof te verbinden aan de eerder geleerde stof en richting te geven aan het verdere verloop van de les. Tegelijkertijd worden hiermee misconcepties van leerlingen zichtbaar gemaakt, waar de docent vervolgens gericht op in kan spelen. 
Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon is thuis/kluis (of in het Zakkie in de schooltas)
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 
timer
3:00

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Zet de zinnen in de juiste volgorde van tijd. Begin met de gebeurtenis die het langst geleden is.
Een groep burgers maakt bekend dat zij zonder de eerste en tweede stand gaan vergaderen.
De Bastille wordt aangevallen: de Franse Revolutie is begonnen.
De derde stand wil dat ook edelen en geestelijken belasting gaan betalen.
De edelen en de geestelijken stemmen tegen en er verandert dus niets.
De koning roept een vergadering van de drie standen bij elkaar.

Slide 12 - Drag question

This item has no instructions

4.2 De macht van de koning 


Hoe bestuurde Lodewijk XIV Frankrijk?

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

           Leerdoelen
  1. Je kent de betekenis van de volgende begrippen: Franse Revolutie, Droit divin, grondwet, absolutisme, standenmaatschappij’ en ‘Ancien Regime’. (R)
  2. Je kunt uitleggen met welk argument Lodewijk XIV zijn absolute macht legitimeerde. (T1)
  3. Je kunt uitleggen waarom Lodewijk XIV de “Zonnekoning” werd genoemd. (T1)
  4. Je kunt kenmerken noemen van de absolute macht van Lodewijk XIV op politiek, economisch en cultureel gebied. (T1)
  5. Je kan drie kenmerken van het Ancien Régime noemen. (R)
  6. Je kunt uitleggen waarom de standensamenleving als oorzaak van de Franse Revolutie gezien kan worden. (T2)

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Slide 15 - Video

This item has no instructions


De bijnaam van Lodewijk XIV is de 'zonnekoning'.
Leg uit hoe je dit terug ziet in het filmpje en leg uit wat dit zegt over zijn macht.

Slide 16 - Open question

7. Formatief handelen
De docent geeft de leerlingen gedurende de les gerichte feedback, feedup en feedforward op de op de inhoud van het werk, de leerstrategie, het gedrag en op zelfsturing. De docent bevraagt willekeurig leerlingen met open vragen. De docent stimuleert kwaliteitsbesef onder leerlingen door bijvoorbeeld leerlingen elkaars werk te laten vergelijken of uitgewerkte voorbeelden te gebruiken, gevolgd door geïnformeerde vervolgstappen.

Welke kenmerken van het absolutisme zie je in het filmpje?

Slide 17 - Open question

7. Formatief handelen
De docent geeft de leerlingen gedurende de les gerichte feedback, feedup en feedforward op de op de inhoud van het werk, de leerstrategie, het gedrag en op zelfsturing. De docent bevraagt willekeurig leerlingen met open vragen. De docent stimuleert kwaliteitsbesef onder leerlingen door bijvoorbeeld leerlingen elkaars werk te laten vergelijken of uitgewerkte voorbeelden te gebruiken, gevolgd door geïnformeerde vervolgstappen.

L'État, c'est Moi

  • De wil van de koning is wet. Dit noem je absolutisme
  • Deze macht is door god gegeven: droit divin (goddelijk recht)
  • Zo hoeft dus ook niemand aan de koning te twijfelen...

Slide 18 - Slide

This item has no instructions


De Zonnekoning

  • Lodewijk XIV (1638-1715) was één van de machtigste koningen van Frankrijk. 
  • Hij werd koning toen hij 5 jaar was. 
  • Hij zorgde ervoor dat iedereen naar Lodewijk zou luisteren en dat hij de absolute macht had.
Pak je smartphone of tablet en klik op de link om het paleis van Versailles van binnen te bekijken!

Slide 19 - Slide

This item has no instructions

Aan de slag
Kenmerken van het Absolutisme:

Politiek
Economisch
Cultureel
Militair
.




Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Absolutisme
Kenmerken:
  • Trouwe edelen werden beloond met speciale taken en mooie baantjes = voorrechten (= privileges)
  • De ambtenaren moesten precies doen wat de koning wilde
  • Het gewone volk had niets te vertellen
  • Mensen mogen geen kritiek hebben
  • De koning, geestelijken en de ambtenaren leefden in grote rijkdom


Slide 21 - Slide

This item has no instructions


Leg uit waarom deze bron bij het absolutisme past.

Slide 22 - Open question

This item has no instructions

Slide 23 - Video

This item has no instructions


Welke verandering ondergaat het paleis van Versailles en wat zegt dat over de macht van de koning?

Slide 24 - Open question

7. Formatief handelen
De docent geeft de leerlingen gedurende de les gerichte feedback, feedup en feedforward op de op de inhoud van het werk, de leerstrategie, het gedrag en op zelfsturing. De docent bevraagt willekeurig leerlingen met open vragen. De docent stimuleert kwaliteitsbesef onder leerlingen door bijvoorbeeld leerlingen elkaars werk te laten vergelijken of uitgewerkte voorbeelden te gebruiken, gevolgd door geïnformeerde vervolgstappen.
Paleis Versailles in cijfers 
  • 700 kamers
  • 2513 ramen
  • 1252 open haarden
  • 70 trappen
  • 6000 schilderijen
  • 800 hectare tuin
  • 200.000 bomen
  • 210.000 bloemen (ieder jaar)
  • 40 kilometer ommuring
  • 55 vijvers, 600 fonteinen
  • 5570 meter is de omtrek van het kanaal
  • 600 plaatsen in de stallen
  • 35.000 arbeiders (nu: 900 mensen)
  • 2 miljard euro bouwprijs
  • 135 miljoen euro restauratiekosten

Slide 25 - Slide

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Lodewijk XIV
Lodewijk XIV ging rare dingen doen : 
  • Eigen bijnaam: le Roi Soleil ("De Zonnekoning").
  • Bouwen van een gigantisch paleis (Versailles)
  • Hij bepaalde de godsdienst van Frankrijk: katholicisme.
  • Al het geld ging naar de eigen spaarpot toe.
  • Economie ging slecht: giga-jaloers op Nederland! Daarom bedacht hij het Mercantilisme

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Ideeën van de Verlichting

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Ancien Régime
Frankrijk in de 18e eeuw: Ancien Régime
  • Absolute vorst
  • Standenmaatschappij
  • Privileges

Pak je smartphone of tablet en klik op de link om het paleis van Versailles van binnen te bekijken!

Slide 28 - Slide

This item has no instructions


Standenmaatschappij

  • Sinds de middeleeuwen was de Franse samenleving verdeeld in 3 standen: 'bidders, strijders en werkers'
  • Over deze verdeling kon niet worden getwijfeld: God had dit zo bepaald.

Slide 29 - Slide

This item has no instructions

De 1e stand
  • De geestelijkheid: de mensen van de kerk. Zij zorgden dat de mensen in de hemel zouden komen. De hoge geestelijken woonden in grote paleizen en hadden vooral rechten (en maar weinig plichten).

  • De geestelijken bezaten veel grond: het waren grootgrondbezitters

Slide 30 - Slide

This item has no instructions

De 2e stand

  • De edelen: de mensen van adel. Zij zorgen voor het bestuur en de verdediging van het land. Zij woonden in grote paleizen en hadden vooral rechten (en maar weinig plichten).

  • De koning vertrouwde hen niet: daarom mochten (moesten!) ze bij hem in de buurt wonen. Zo kon hij ze in de gaten houden.



Slide 31 - Slide

This item has no instructions

De 3e stand
  • De boeren en de burgers. Eigenlijk iedereen die niet bij de 1e of 2e stand hoorde. Daarom waren er in de 3e stand ook grote verschillen. Zo had je de rijke burgerij, de bourgeoisie. Dit waren mensen met een eigen bedrijf of een diploma.

  • De 3e stand had alle plichten: zij moesten bijvoorbeeld wél belasting betalen.



Slide 32 - Slide

This item has no instructions

Standensamenleving

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Bestaande uit:
Geestelijken
Adel
Bourgeoisie
Boeren
Eerste stand
Tweede stand
Derde stand

Slide 34 - Drag question

This item has no instructions


Jean-Paul: Priester in Calais

A
1e stand
B
2e stand
C
3e stand

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions


Pierre: Een boer in de buurt van Bordeaux
A
1e stand
B
2e stand
C
3e stand

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions


Maxime: Succesvol handelaar in Parijs
A
1e stand
B
2e stand
C
3e stand

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions


Franc dur Rouge: Slager in Parijs

A
1e stand
B
2e stand
C
3e stand

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions


Sara de bourbon: Barones van Orange

A
1e stand
B
2e stand
C
3e stand

Slide 39 - Quiz

This item has no instructions


Jean: Timmerman in Normandië

A
1e stand
B
2e stand
C
3e stand

Slide 40 - Quiz

This item has no instructions


Marise Chardonay: Dochter van een hertog

A
1e stand
B
2e stand
C
3e stand

Slide 41 - Quiz

This item has no instructions


Jean-Marc: Monnik in Macon

A
1e stand
B
2e stand
C
3e stand

Slide 42 - Quiz

This item has no instructions


Wat is de boodschap van de tekenaar?

Slide 43 - Open question

This item has no instructions

Hoe bereik je het volk?
  • Niet iedereen kon lezen, zeker niet in de 3e stand. 
  • Maar spotprenten? Die begreep iedereen!

  • Deze spotprenten werden meestal gemaakt door de bourgeoisie.
Geestelijkheid
De 1e stand
Adel
De 2e stand
De 3e stand
Alle mensen die niet bij de 1e of 2e stand horen.

Slide 44 - Slide

This item has no instructions

Ideeën van de Verlichting

Slide 45 - Slide

This item has no instructions


De Verlichting
vanaf ±1700



  • Een periode waarin mensen hun kennis (willen) vergroten, door steeds meer uit te gaan van het verstand (rede, ratio)

  • Hierdoor krijgen mensen ook meer kritiek op de koning, de kerk en de adel.

Slide 46 - Slide

This item has no instructions

Een nieuwe manier van denken

Slide 47 - Slide

Dit nieuwe denken werd eerst alleen toegepast op de natuur, maar werd na verloop van tijd ook toegepast op de mens en de maatschappij
Er ontstonden dan vragen zoals: Wie mag het land besturen en hoe moet dat eerlijk gebeuren?
Er kwam kritiek op het absolutisme
Nieuwe manier van denken
Kenmerken van de nieuwe manier van denken:
  • Observeren: zelf waarnemen.
  • Experimenteren: zelf doen, uitproberen.
  • Redeneren: zelf nadenken, zelf conclusies trekken na onderzoek.

Slide 48 - Slide

René Descartes 1596 – 1650. Descartes kwam uit Frankrijk, maar woonde ook lange tijd in de Republiek
Eén van de oorzaken van de wetenschappelijke revolutie is dat de mens door de ontdekkingsreizen veel meer van de wereld zag. Er werden nieuwe werelddelen ontdekt, met andere volken en kennis. Hoe de mens over de wereld dacht moest wel veranderen.
Ook de toenemende welvaart was belangrijk voor het ontstaan van de wetenschappelijke revolutie. Geleerden werkten ook samen, zij gingen verder met onderzoek dat al eerder gedaan was.

Verlichting
= Een denkstroming uit de 17e en 18e eeuw, waarin het gebruik van het eigen verstand centraal stond.

De Verlichting draait om tolerantie
vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Slide 49 - Slide

Dit nieuwe denken werd eerst alleen toegepast op de natuur, maar werd na verloop van tijd ook toegepast op de mens en de maatschappij
Er ontstonden dan vragen zoals: Wie mag het land besturen en hoe moet dat eerlijk gebeuren?
Er kwam kritiek op het absolutisme
Aan de slag
Lees de tekst. Het is een tekst van de filosoof Spinoza.






  1. Wat doet een filosoof?
  2. Over welke onderwerpen schreef Spinoza? Noem minimaal twee onderwerpen.
  3. Waarom vluchtten veel buitenlandse geleerden in de Gouden Eeuw naar de Republiek?

Slide 50 - Slide

This item has no instructions

Belangrijke Verlichtingsfilosofen
John Locke (Eng. 1632-1704)
Het volk geeft de koning/ regering zijn macht 

Charles de Montesquieu (Fr. 1689-1755)
Trias Politica, de scheiding der machten

Jean Jacques Rousseau (Fr. 1712-1778)
Volksvertegenwoordiging doet wat het volk wil.

Slide 51 - Slide

This item has no instructions

Aan de slag
timer
15:00

Slide 52 - Slide

6. Actieve verwerking
De docent maakt expliciet over hoe de leerstof actief verwerkt dient te worden. Hierbij modelleert de docent eerst en laat daarna de leerlingen actief inoefenen. De ondersteuning wordt geleidelijk afgebouwd. De docent zorgt voor afwisseling in oefentypes en maakt gedurende de les het leren zichtbaar. De docent zet bijvoorbeeld in op hardop denken opdrachten en koppelt daar een geïnformeerde vervolgstap aan.

Terugkijken 
op de leerdoelen
  1. Je kent de betekenis van de volgende begrippen: Franse Revolutie, Droit divin, grondwet, absolutisme, standenmaatschappij’ en ‘Ancien Regime’. (R)
  2. Je kunt uitleggen met welk argument Lodewijk XIV zijn absolute macht legitimeerde. (T1)
  3. Je kunt uitleggen waarom Lodewijk XIV de “Zonnekoning” werd genoemd. (T1)
  4. Je kunt kenmerken noemen van de absolute macht van Lodewijk XIV op politiek, economisch en cultureel gebied. (T1)
  5. Je kan drie kenmerken van het Ancien Régime noemen. (R)
  6. Je kunt uitleggen waarom de standensamenleving als oorzaak van de Franse Revolutie gezien kan worden. (T2)

Slide 53 - Slide

This item has no instructions

           Begrippen
           uit deze les
  • Lodewijk XIV
  • Mazarin
  • absolutisme
  • droit divin
  • privileges 

Slide 54 - Slide

This item has no instructions