Stuiterende bal met stroboscoop, 2007 (foto: M. Maggs, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Energiebehoud
Examenstof natuurkunde vwo
Stuiterende bal met stroboscoop, 2007 (foto: M. Maggs, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Energiebehoud
Examenstof natuurkunde vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: C2.2. Image credit: MichaelMaggs, bewerkt door Richard Bartz / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Wat ga je kunnen?
Ik kan energieomzettingen bij vrije val, wrijving, verticale worp, trilling en stuiteren analyseren met ΣEin = ΣEuit en rekenen met veerenergie, stookwaarde en rendement.
This item has no instructions
Welke energievormen en omzettingen horen bij een springer op een trampoline?
Verwacht: chemische energie in de spieren, kinetische energie, zwaarte-energie, veerenergie van de mat, warmte. Gebruik deze woorden in de les. Syllabus C2.2.
Stuwmeer boven op een heuvel, Seneca (VS), publiek domein
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Potentiële energie
Kinetische energie hoort bij snelheid: Ek = ½·m·v² (zie Arbeid en vermogen).
Potentiële energie is opgeslagen energie: zwaarte-energie (water boven) en veerenergie.
Ez = m·g·h is de zwaarte-energie in J, met h ten opzichte van een zelfgekozen nulniveau.
Alleen het verschil ΔEz telt: kies het nulniveau waar je het handigst rekent.
Syllabus C2.2: kinetische energie, zwaarte-energie, vakbegrip potentiële energie; formule Ez = m·g·h staat in je informatieboek, met g = 9,81 m/s². Ek = ½·m·v² en de arbeid-energiestelling worden uitgewerkt in het onderwerp Arbeid en vermogen. Veelgemaakte fout: denken dat Ez een vaste waarde heeft; die hangt af van het nulniveau, alleen ΔEz heeft betekenis. Kijkvraag: waar in de foto is Ez ten opzichte van de rivier het grootst? Image credit: United States Army Corps of Engineers / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Behoud van energie
Wet van behoud van energie: energie ontstaat niet en verdwijnt niet, ze wordt omgezet.
ΣEin = ΣEuit: de totale energie voor en na een omzetting is gelijk (informatieboek).
Kies een begin- en een eindmoment en schrijf bij elk moment alle energievormen op die er zijn.
Energievormen: kinetisch, zwaarte, veer, chemisch, elektrisch, straling en warmte.
Warmte is vaak het eindpunt: die energie is er nog wel, maar je kunt er weinig meer mee.
Syllabus C2.2: wet van behoud van energie, formule ΣEin = ΣEuit, energieën kinetische energie, zwaarte-energie, veerenergie, chemische energie, elektrische energie, stralingsenergie, warmte. Veelgemaakte fout: een energievorm vergeten in de balans, meestal de warmte of de veerenergie.
Polsstokhoogspringen, 1969 (publiek domein)
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Vrije val en verticale worp
Vrije val zonder wrijving: m·g·h = ½·m·v², dus v = √(2·g·h). De massa valt weg.
Voorbeeld: h = 5,0 m geeft v = 9,9 m/s, voor elke massa.
Verticale worp vanaf de grond: ½·m·v² = m·g·h, dus h = v²/(2·g). Bij 12 m/s is h = 7,3 m.
Vanaf hoogte h0 met beginsnelheid v0, in elke richting: v² = v0² + 2·g·h0 bij de grond.
Syllabus C2.2: minimaal de bewegingen vrije val en verticale worp. Controle: √(2·9,81·5,0) = √98,1 = 9,90 m/s; 12²/(2·9,81) = 144/19,62 = 7,34 m. De laatste formule volgt uit ½·m·v0² + m·g·h0 = ½·m·v²: de richting van de beginsnelheid speelt geen rol. Bij polsstokhoogspringen wordt Ek eerst veerenergie in de buigende stok en daarna Ez; de energiebalans werkt hetzelfde. Veelgemaakte fout: de wortel of de factor 2 vergeten, of denken dat een zwaarder voorwerp sneller valt. Image credit: Trust Territory of the Pacific Islands, Public Information Office / Wikimedia Commons, publiek domein
Je gooit een bal met 2 keer zo grote snelheid omhoog. Hoe hoog komt hij (geen wrijving)?
2 keer zo hoog
√2 keer zo hoog
8 keer zo hoog
4 keer zo hoog
Uit ½·m·v² = m·g·h volgt h = v²/(2·g): h is evenredig met v², dus 2² = 4 keer zo hoog. Afleiders: lineair verband (2), wortelverband (√2) en een derde macht (8). Syllabus C2.2: verticale worp.
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Valbeweging met wrijving
Met wrijving geldt ΣEin = ΣEuit nog steeds: Ez,begin + Ek,begin = Ez,eind + Ek,eind + Q.
Wrijvingsarbeid is de energie die de wrijvingskracht omzet in warmte Q (zie Arbeid en vermogen).
Voorbeeld: een bal van 0,50 kg valt 20,0 m en raakt de grond met 15,0 m/s: Ez = 98 J en Ek = 56 J.
Dan is Q = 98 − 56 = 42 J: dat deel van de zwaarte-energie is warmte geworden.
Bij constante snelheid, zoals een parachutist, blijft Ek gelijk: alle afname van Ez wordt Q.
Syllabus C2.2: minimaal valbeweging met wrijving, vakbegrip wrijvingsarbeid (berekening van W = F·s zelf staat bij Arbeid en vermogen). Controle: Ez = 0,50 × 9,81 × 20,0 = 98,1 J; Ek = ½ × 0,50 × 15,0² = 56,25 J; Q = 98,1 − 56,25 = 41,85 J, met de significante cijfers van het gegeven (A8.3) 42 J. Veelgemaakte fout: Q vergeten of de snelheid niet kwadrateren.
Stuiterende bal met stroboscoop, 2007 (foto: M. Maggs, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Stuiterbeweging
Bij elke stuit vervormt de bal en wordt een deel van de energie warmte (en geluid).
Bij een verticale stuit is v = 0 op elke top: daar is E = m·g·h, dus de top meet de energie.
Energieverlies bij een stuit: ΔE = m·g·(h voor − h na).
Is elke top dezelfde factor lager, dan blijft steeds hetzelfde deel van de energie over.
Syllabus C2.2: minimaal de beweging stuiterbeweging. De opname is gemaakt met een stroboscoop met 25 beelden per seconde; je ziet dat de bal na elke stuit niet bolvormig is (vervorming) en elke top lager ligt. In een (h,t)-diagram lees je de toppen af. Veelgemaakte fout: het verlies in meters als energie nemen, of m·g vergeten in ΔE. Kijkvraag: bij welke stuit zie je de bal het meest vervormd? Image credit: MichaelMaggs, bewerkt door Richard Bartz / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Animatie: energiebalken bij een stuiterende bal
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Stuiteren in energiebalken
De bal van 0,060 kg valt van 1,20 m en houdt na elke stuit twee derde van zijn hoogte.
Ez is violet, Ek wit en de warmte Q grijs; de stippellijn is de totale energie.
Bij elke stuit groeit Q, terwijl de totale energie gelijk blijft.
Bovenin elke top is Ek = 0 en dus Ez + Q = Etotaal.
Syllabus C2.2: energiebalans bij stuiterbeweging. In de animatie is de tijd twee keer vertraagd. Etotaal = 0,060 × 9,81 × 1,20 = 0,706 J; na de eerste stuit is Q = 0,060 × 9,81 × (1,20 − 0,80) = 0,24 J. Kijkvraag: welke balk springt omhoog op het moment van de stuit? (Q.) Wat gebeurt er met Ek vlak voor en vlak na de stuit? Image credit: Eigen animatie
Bal (0,15 kg) gaat met 20 m/s recht omhoog en komt 17 m hoog. Bereken Q.
25 J
5 J
30 J
55 J
Verticale worp met wrijving: Ek,begin = Ez,top + Q. Ek = ½ × 0,15 × 20² = 30 J; Ez = 0,15 × 9,81 × 17 = 25 J; Q = 30 − 25 = 5 J (aftrekken: geen decimalen, A8.3). Afleiders: alleen Ez (25), alleen Ek (30) en de som (55). Controle: 30,0 − 25,0 = 5,0. Syllabus C2.2: verticale worp, wrijving.
Wat gebeurt er bij een stuit met Q en met de totale energie?
Q neemt toe, de totale energie blijft gelijk
Q neemt toe, de totale energie neemt af
Q blijft gelijk, de totale energie neemt af
Q neemt af, de totale energie blijft gelijk
Bij de stuit wordt een deel van Ek warmte: Q groeit, en door energiebehoud blijft de totale energie (de stippellijn in de animatie) gelijk. Afleider 'neemt af' verwart de bruikbare energie Ez + Ek met de totale energie. Syllabus C2.2: stuiterbeweging, wet van behoud van energie.
Schroefveer van een auto, 2006 (foto: Athol Mullen, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Veerenergie
Een uitgerekte of ingedrukte veer bevat veerenergie, een vorm van potentiële energie.
Ev = ½·C·u²: Ev in J, C de veerconstante in N/m en u de uitrekking of indrukking in m.
De formule staat in je informatieboek. Reken cm eerst om: 5,0 cm = 0,050 m.
Dubbele uitrekking geeft 4 keer zoveel Ev: Ev is evenredig met u².
Syllabus C2.2: veerenergie, formule Ev = ½·C·u²; bijlage 2: veerconstante C in N/m, uitrekking u in m. Een veer die ingedrukt wordt, heeft ook een uitwijking u; Ev hangt alleen af van u². Veelgemaakte fout: de ½ of het kwadraat vergeten, of cm niet omrekenen naar m. Image credit: Athol Mullen / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Animatie: wagentje aan een veer, Ek en Ev
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Trilling: Ek en Ev wisselen
Een wagentje van 0,40 kg zit aan een veer (C = 50 N/m) en trilt zonder wrijving, losgelaten bij u = 10 cm.
In het keerpunt is v = 0: alle energie is Ev = ½·50·0,10² = 0,25 J.
Door de evenwichtsstand (u = 0) is alle energie Ek: ½·m·v² = 0,25 J, dus v = 1,1 m/s.
Ek + Ev = constant. Een periodieke beweging herhaalt zich steeds, met steeds dezelfde wisseling.
Syllabus C2.2: minimaal de beweging trilling, vakbegrip periodieke beweging. In de animatie is de tijd vertraagd. Controle: Ev = ½ × 50 × 0,10² = 0,25 J; v = √(2 × 0,25/0,40) = √1,25 = 1,12 m/s, dus 1,1 m/s. Met wrijving zou Ek + Ev steeds kleiner worden en de uitwijking afnemen: het verschil wordt warmte. Kijkvraag: waar is de snelheid maximaal en waar nul? Image credit: Eigen animatie
Springen op een trampoline, 2016 (foto: A. en J. Tuszyński, CC BY 4.0)
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Springen op een trampoline
De springer wisselt drie energievormen af: Ez, de Ev van de mat en Ek.
Hoogste punt: v = 0 en de mat is niet ingedrukt, dus alle energie is Ez.
Laagste punt: v = 0 en de mat is het diepst ingedrukt: de afgenomen Ez is nu Ev (en wat warmte).
Zonder wrijving en met nulniveau op het laagste punt: m·g·htop = Ev,max.
Syllabus C2.2: zwaarte-energie, veerenergie en kinetische energie in één balans; trilling. De mat gedraagt zich in dit model als een veer met Ev = ½·C·u². Veelgemaakte fout: de extra daling onder het rustniveau van de mat vergeten bij de zwaarte-energie. Image credit: Alex en Jarek Tuszyński / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Een veer (C = 2,0·10² N/m) wordt 5,0 cm uitgerekt. Bereken Ev.
0,50 J
10 J
0,25 J
2,5·10³ J
u = 5,0 cm = 0,050 m; Ev = ½ × 2,0·10² × 0,050² = 0,25 J. Afleiders: ½ vergeten (0,50), C·u (10) en cm niet omgerekend (2,5·10³). Controle: 0,050² = 0,0025; × 200 = 0,50; half is 0,25. Syllabus C2.2.
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Chemische energie
Chemische energie zit in brandstof, voedsel en een accu. De stookwaarde is de chemische energie per volume of per massa.
Ech = rV·V (rV in J/m³) en Ech = rm·m (rm in J/kg): in je informatieboek, met de stookwaarde erbij.
Voorbeeld met een gegeven rV = 33·10⁹ J/m³: 6,0 L = 6,0·10⁻³ m³ levert 2,0·10⁸ J.
Reken om: 1 L = 1,0·10⁻³ m³ en 1 kWh = 3,6·10⁶ J.
Elektrische energie bereken je met E = P·t: in kWh is P in kW en t in uur.
Syllabus C2.2: chemische energie, elektrische energie, formules Ech = rV·V en Ech = rm·m, stookwaarde (bijlage 2: rV in J/m³). Stookwaarden zoek je op in het informatieboek; in een opgave staat de waarde meestal erbij. Controle: 33·10⁹ × 6,0·10⁻³ = 1,98·10⁸ J, dus 2,0·10⁸ J. Veelgemaakte fout: liters niet omrekenen naar m³, of kWh niet naar J.
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Rendement
Rendement η is de nuttige energie gedeeld door de toegevoerde energie.
η = Enuttig/Ein = Pnuttig/Pin: in je informatieboek. η heeft geen eenheid.
Het deel (1 − η) komt vrij als warmte: Ein = Enuttig + Q.
Voorbeeld: een elektromotor met η = 0,80 en Pin = 2,5 kW levert Pnuttig = 2,0 kW; de overige 0,5 kW wordt warmte.
Energiebehoud geeft η ≤ 1: een rendement boven 1 zou betekenen dat er energie bijkomt.
Syllabus C2.2: rendement, formule η = Enuttig/Ein = Pnuttig/Pin. Controle: 0,80 × 2,5 = 2,0 kW; 2,5 − 2,0 = 0,5 kW. Veelgemaakte fout: Ein en Enuttig omdraaien, of procent en fractie door elkaar halen.
Fietser in Amsterdam, rond 1900 (Rijksmuseum, CC0)
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Verkeer en de bewegende mens
Bij fietsen wordt chemische energie in je spieren Ek, Ez (bergop) en warmte.
In het verkeer wordt Ek bij remmen warmte: die energie komt niet terug.
Minder energie nodig: lagere massa, minder luchtwrijving en gelijkmatig rijden.
Besparen is dus minder Ein voor dezelfde Enuttig: een hoger rendement of minder wrijving.
Syllabus C2.2: minimaal in de contexten energiegebruik en energiebesparing in het verkeer en de bewegende mens. Laat leerlingen bij elke maatregel zeggen welke omzetting kleiner wordt. Geen getallen nodig: in opgaven staan rendementen van het lichaam of de motor in de tekst. Image credit: Rijksmuseum / Wikimedia Commons, CC0
Een lift (η = 0,60) brengt 8,0·10² kg 12 m omhoog. Bereken Ein.
9,4·10⁴ J
1,6·10⁵ J
5,7·10⁴ J
1,6·10⁴ J
Enuttig = m·g·h = 8,0·10² × 9,81 × 12 = 9,42·10⁴ J; Ein = Enuttig/η = 9,42·10⁴/0,60 = 1,6·10⁵ J. Afleiders: η vergeten (9,4·10⁴), vermenigvuldigd met η (5,7·10⁴) en g vergeten (1,6·10⁴). Controle: 1,57·10⁵ × 0,60 = 9,42·10⁴. Syllabus C2.2: zwaarte-energie, rendement.
Wat vond je het lastigst in deze les?
Vrije val en verticale worp
Energiebalans met wrijving of stuiten
Veerenergie en trilling
Chemische energie en rendement
Bespreek het meest gekozen onderdeel kort na.
Leg uit waarom een bal na elke stuit minder hoog komt.
Goed antwoord: bij de stuit wordt een deel van de energie warmte (en geluid, vervorming), dus is er minder Ek om weer Ez te worden. Energie gaat niet verloren. Syllabus C2.2.
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Begrippen (1/2)
wet van behoud van energie: energie ontstaat niet en verdwijnt niet: ΣEin = ΣEuit
potentiële energie: opgeslagen energie: zwaarte-energie en veerenergie
zwaarte-energie: energie door hoogte: Ez = m·g·h
veerenergie: energie in een uitgerekte of ingedrukte veer: Ev = ½·C·u²
chemische energie: energie in brandstof, voedsel en accu: Ech = rV·V of rm·m
This item has no instructions
EXAMENSTOF · C2 · ENERGIE EN WISSELWERKING
Begrippen (2/2)
stookwaarde: chemische energie per m³ (rV) of per kg (rm) van een brandstof
wrijvingsarbeid: de energie die de wrijvingskracht omzet in warmte
warmte: energie die vaak het eindpunt van een omzetting is
periodieke beweging: een beweging die zich steeds herhaalt, zoals een trilling
rendement: nuttige energie gedeeld door toegevoerde energie: η = Enuttig/Ein
This item has no instructions