Klas 1N 2026-2027 NT2

Bureau

Bord

Text

Wissam

Mikal

Yulia

Malak





Adelina


Valeriia


Ghofran


Yehor



Eldana




Youssef


Mark

Merhawi

Shirin

1 / 47
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Bureau

Bord

Text

Wissam

Mikal

Yulia

Malak





Adelina


Valeriia


Ghofran


Yehor



Eldana




Youssef


Mark

Merhawi

Shirin


Welkom klas 1N


Woensdag 21 oktober 2026

Aanwezigheid






Lesdoelen!

Les 5.7: Je kunt zeggen waar je last van hebt.​​​

leerdoel 7.5

je leert nieuwe woorden over topografie en kunt zeggen waar een plaats ligt​​​​

Actie!

Les 5.6​

​Dictee: 5.4 + 5.5


​

Lesidee 5.3 bingo lichaamsdelen


Samen maken les 5.7​

​

Maken: online opdrachten Les 5.7​

​

​




Les 7.5​

​​Dictee: 7.3 + 7.4​​

Lesidee 7.3a: praatplaat, vragen stellen​

Lesidee 7.3b: werkblad (per 2 lln)

​


Maken: opdracht 36, 37, 38​

Samen luisteren en maken: opdracht 34, 35

​

Maken online opdrachten 7.5

​










Dictee

4.11 + 4.12

6.12 + 6.14


Hebben en zijn

Werkwoorden

Hebben

Ik          heb                                                Wij         hebben

Jij         hebt                                              Jullie     hebben

... jij?   Heb                                                Zij           hebben

U          heeft / hebt

Hij        heeft

Zij        heeft                                             Weten jullie ze allemaal?

Het      heeft

.... jij?    .... je?

Als je een vraag krijgt met je of jij?


Dan gebruik je de ik-vorm.


Ik heb een man.

Jij hebt een man.

Heb jij een man?

Zijn

Ik          ben                                                Wij         zijn

Jij         bent                                              Jullie     zijn

... jij?   Ben                                                Zij           zijn

U          bent 

Hij        is

Zij        is                                                  Weten jullie ze allemaal?

Het      is

.... jij?    .... je?

Als je een vraag krijgt met je of jij?


Dan gebruik je de ik-vorm.


Ik ben een leerling.

Jij bent een leerling.

Ben jij een leerling?

Werkblad hebben en zijn

hebben Ik ... een fiets.

A

heb

B

heeft

C

hebt

D

hebben

hebben Jij ... een boek.

A

heb

B

heeft

C

hebt

D

hebben

hebben ... jij een pen?

A

Heb

B

Heeft

C

Hebt

D

Hebben

hebben Hij ... een mooie fiets.

A

heb

B

hebt

C

heeft

D

hebben

hebben U ... de lelijkste trui.

A

heb

B

hebt

C

heeft

D

hebben

hebben De juf (zij) ... een grote hond.

A

heb

B

heeft

C

hebt

D

hebben

hebben Het ... veel kleuren.

A

heb

B

hebt

C

hebben

D

heeft

hebben Wij ... drie kinderen.

A

heb

B

hebt

C

heeft

D

hebben

hebben Jullie ... een kat.

A

heb

B

hebt

C

heeft

D

hebben

hebben

heb

Heb

heeft

hebt

ik ...

jij ...

hij ...

... jij?

jullie ...

zijn Ik ... Jilly.

A

ben

B

is

C

bent

D

zijn

zijn Jij ... groot.

A

ben

B

bent

C

is

D

zijn

zijn ... jij op school?

A

Ben

B

Bent

C

Is

D

Zijn

zijn Peter (hij) ... niet klaar.

A

ben

B

bent

C

is

D

zijn

zijn Zij ... een leuke vrouw.

A

ben

B

is

C

bent

D

zijn

zijn U ... altijd blij.

A

ben

B

bent

C

is

D

zijn

zijn Het ... vandaag woensdag.

A

ben

B

bent

C

is

D

zijn

zijn Jullie ... leuke ouders.

A

ben

B

is

C

bent

D

zijn

zijn Zij ... een leuke klas.

A

ben

B

bent

C

is

D

zijn

Ben

bent

zijn

is

ben

ik ...

jij ...

hij ...

... jij?

jullie ...

Maak een zin met het werkwoord hebben. Bijvoorbeeld: Ik heb een fiets.

Maak een zin met het werkwoord zijn. Bijvoorbeeld: Ik ben blij.

Vraagzinnen


Lesidee 11






Lesdoelen!

Les 4.9: je kunt eenvoudige instructies begrijpen

Lesdoelen 6.10

6.10 Omgaan met tijd






Actie!

Les 4.9, blz. 133


Samen luisteren: opdracht 59


Maken: opdracht 60, 62, 63, 64, 65, 66, 67

Lesidee 4.9: lezen tekst


Online opdrachten t/m les 4.9

Les 6.10


Samen lezen 6.10

Samen maken de opdrachten

Praat samen

Woorden bespreken

Online oefeningen t/m 6.10


Huiswerk: dictee 6.8 en 6.9

Actie


Actie