Bureau
Bord
Text
Wissam
Mikal
Yulia
Malak
Adelina
Valeriia
Ghofran
Yehor
Eldana
Youssef
Mark
Merhawi
Shirin
Bureau
Bord
Text
Wissam
Mikal
Yulia
Malak
Adelina
Valeriia
Ghofran
Yehor
Eldana
Youssef
Mark
Merhawi
Shirin
Welkom klas 1N
Woensdag 28 oktober 2026
Aanwezigheid
Lesdoelen!
Les 5.10: Je leert het meervoud op - s.
leerdoel 7.10
je leert de voorzetsels over tijd
Actie!
Les 5.10
Dictee 5.8 en 5.9
Samen lezen: opdracht 69
Maken: opdracht 70, 71, 72
Maken: online opdrachten Les 5.10
Les 7.10
Dictee 7.7 en 7.8
Samen lezen: opdracht 69
Maken: opdracht 70, 71, 72
Maken online opdrachten tm 7.10 ook het boekje!
Dictee
4.11 + 4.12
6.12 + 6.14
Hebben en zijn
Werkwoorden
Hebben
Ik heb Wij hebben
Jij hebt Jullie hebben
... jij? Heb Zij hebben
U heeft / hebt
Hij heeft
Zij heeft Weten jullie ze allemaal?
Het heeft
.... jij? .... je?
Als je een vraag krijgt met je of jij?
Dan gebruik je de ik-vorm.
Ik heb een man.
Jij hebt een man.
Heb jij een man?
Zijn
Ik ben Wij zijn
Jij bent Jullie zijn
... jij? Ben Zij zijn
U bent
Hij is
Zij is Weten jullie ze allemaal?
Het is
.... jij? .... je?
Als je een vraag krijgt met je of jij?
Dan gebruik je de ik-vorm.
Ik ben een leerling.
Jij bent een leerling.
Ben jij een leerling?
Werkblad hebben en zijn
hebben Ik ... een fiets.
heb
heeft
hebt
hebben
hebben Jij ... een boek.
heb
heeft
hebt
hebben
hebben ... jij een pen?
Heb
Heeft
Hebt
Hebben
hebben Hij ... een mooie fiets.
heb
hebt
heeft
hebben
hebben U ... de lelijkste trui.
heb
hebt
heeft
hebben
hebben De juf (zij) ... een grote hond.
heb
heeft
hebt
hebben
hebben Het ... veel kleuren.
heb
hebt
hebben
heeft
hebben Wij ... drie kinderen.
heb
hebt
heeft
hebben
hebben Jullie ... een kat.
heb
hebt
heeft
hebben
hebben
heb
Heb
heeft
hebt
ik ...
jij ...
hij ...
... jij?
jullie ...
zijn Ik ... Jilly.
ben
is
bent
zijn
zijn Jij ... groot.
ben
bent
is
zijn
zijn ... jij op school?
Ben
Bent
Is
Zijn
zijn Peter (hij) ... niet klaar.
ben
bent
is
zijn
zijn Zij ... een leuke vrouw.
ben
is
bent
zijn
zijn U ... altijd blij.
ben
bent
is
zijn
zijn Het ... vandaag woensdag.
ben
bent
is
zijn
zijn Jullie ... leuke ouders.
ben
is
bent
zijn
zijn Zij ... een leuke klas.
ben
bent
is
zijn
Ben
bent
zijn
is
ben
ik ...
jij ...
hij ...
... jij?
jullie ...
Maak een zin met het werkwoord hebben. Bijvoorbeeld: Ik heb een fiets.
Maak een zin met het werkwoord zijn. Bijvoorbeeld: Ik ben blij.
Vraagzinnen
Lesidee 11
Lesdoelen!
Les 4.9: je kunt eenvoudige instructies begrijpen
Lesdoelen 6.10
6.10 Omgaan met tijd
Actie!
Les 4.9, blz. 133
Samen luisteren: opdracht 59
Maken: opdracht 60, 62, 63, 64, 65, 66, 67
Lesidee 4.9: lezen tekst
Online opdrachten t/m les 4.9
Les 6.10
Samen lezen 6.10
Samen maken de opdrachten
Praat samen
Woorden bespreken
Online oefeningen t/m 6.10
Huiswerk: dictee 6.8 en 6.9
Actie
Actie