Haal -er van het hele werkwoord af om de stam te vinden: Jouer jou
Je moet nu uitzoeken welk onderwerp er wordt gebruikt. Wie 'doet' het ?
Zet nu de juiste uitgang achter het werkwoord.
Een werkwoord bestaat altijd uit een pronom personnel, een stam
en een uitgang. De uitgang plak je direct achter de stam.
Voorbeeld: Je joue
Slide 7 - Slide
La règle: les verbes réguliers en -er
je parle
tu parles
il/elle/on parle
nous parlons
vous parlez
ils/elles parlent
Slide 8 - Slide
Vervoeg het volgende werkwoord: Hij heeft een hekel aan (détester)
A
il détester
B
il détesta
C
il déteste
D
il détestes
Slide 9 - Quiz
Vervoeg het volgende werkwoord: Zij ontmoeten (rencontrer)
A
il rencontre
B
elle rencontre
C
ils rencontrent
D
nous rencontrons
Slide 10 - Quiz
Vervoeg het volgende werkwoord: jij blijft (rester)
A
je restes
B
tu restes
C
je reste
D
tu restent
Slide 11 - Quiz
Les verbes -ir
Slide 12 - Slide
La règle: verbes réguliers en -ir
Dit werkt hetzelfde als de werkwoorden op -er, maar de uitgangen zijn:
je choisis
tu choisis
il/elle/on choisit
nous choisissons
vous choisissez
ils/elles choisissent
Slide 13 - Slide
Vervoeg: je (finir)
Slide 14 - Open question
Vervoeg: nous (finir)
Slide 15 - Open question
Vervoeg: elle (remplir)
Slide 16 - Open question
UItzonderingen / bijzonderheden
Als een werkwoord begint met een klinker of h, dan gebruik je in
de ik-vorm geenje maar j'
Voorbeeld: J'habite, j'aime, j'adore
Als de stam van een werkwoord eindigt op een g, dan gebruik je in de nous-vorm de uitgang -eons in plaats van -ons
Voorbeeld: Nous voyageons, nous mangeons
Slide 17 - Slide
La règle: verbes réguliers en -re
Dit werkt hetzelfde als de werkwoorden op -er, maar de uitgangen zijn:
je rends
tu rends
il/elle/on rend
nous rendons
vous rendez
ils/elles rendent
Slide 18 - Slide
Vervoeg: Sophie et Chloé (vendre)
Slide 19 - Open question
Vervoeg: tout le monde (répondre)
Slide 20 - Open question
Vervoeg: tu (perdre)
Slide 21 - Open question
Welke uitgangen horen bij welke groep werkwoorden?
-ER
-IR
-RE
-ER
-IR
-RE
-e
-es
-e
-ons
-ez
-ent
-is
-is
-it
-issons
-issez
-issent
-s
-s
-ons
-ez
-ent
Slide 22 - Drag question
Regelmatige werkwoorden in de présent vervoegen, dat kan ik.
😒🙁😐🙂😃
Slide 23 - Poll
oefen op Boite à Gram:
5: le présent
Slide 24 - Slide
Programme du 27 août
lecture (cherchez un livre niveau A2/B1)
réviser le passé composé
s'entraîner sur verbuga.eu
Slide 25 - Slide
Avoir & être
Voor de passé composé moet je de werkwoorden être (zijn) en avoir (hebben) uit je hoofd kennen.
Weet jij ze nog? Wij beginnen met avoir
Slide 26 - Slide
Sleepvraag
Koppel de juiste vorm van avoir
aan het juiste persoonlijk voornaamwoord
Slide 27 - Slide
je/j'
tu
il / elle / on
nous
vous
ils/elles
ont
as
avons
avez
ai
a
Slide 28 - Drag question
Sleepvraag
Koppel nu de juiste vorm van het werkwoord être
aan het juiste persoonlijk voornaamwoord
Slide 29 - Slide
je/j'
tu
il / elle / on
nous
vous
ils/elles
sont
es
sommes
êtes
suis
est
Slide 30 - Drag question
Wat is een passé composé?
De passé composé is hetzelfde als in het Nederlands de V.T.T.
Oftewel: onderwerp + vorm van zijn of hebben + voltooid deelwoord.
Bijvoorbeeld: ik heb gelopen / wij hebben gefietst / zij zijn gegaan
In het Frans is de passé composé (V.T.T.):
onderwerp + vorm van avoir of être + voltooid deelwoord
Slide 31 - Slide
Hoe maak je een passé composé?
STAPPENSCHEMA
Slide 32 - Slide
STAP 1
Kies of je de passé composé gaat maken met
être of met avoir
Slide 33 - Slide
Wanneer gebruik je avoir of être als hulpwerkwoord?
Gemakkelijke (maar niet altijd opgaande) regel: gebruik hetzelfde hulpwerkwoord als wij in het Nederlands doen, exemple: ik hebgegeven = j' ai donné hij is binnengekomen = il est entré
Slide 34 - Slide
Wanneer het hulpww être in de passé composé?
Bij de wederkerende ww (met me,te,se, nous, vous, se):
Nous nous sommes levés tôt = We zijn vroeg opgestaan
Je me suis lavé à 8h = Ik heb me gewassen om 8 uur
Bij de werkwoorden uit de volgende tekening: ze geven meestal een beweging aan, maar ook de ww naître (geboren worden), mourir (sterven) en rester (blijven) worden met être vervoegd.
Slide 35 - Slide
Slide 36 - Slide
Hulpww être: voltooid deelwoord past zich aan onderwerp aan!
mannelijk enkelvoud: X
vrouwelijk enkelvoud: + e
mannelijk meervoud: + s
vrouwelijk meervoud: + es
En wat te doen als mannelijk en vrouwelijk gemengd zijn?
Slide 37 - Slide
Slide 38 - Slide
STAP 2
Maak het voltooid deelwoord .
Slide 39 - Slide
Voltooid deelwoord zelf maken:
Het werkwoord eindigt op -er: haal -er weg, zet er é voor in de plaats. Bijvoorbeeld: regarder --> regarder --> regard --> regardé
Het werkwoord eindigt op -re: haal -re weg, zet er u voor in de plaats. Bijvoorbeeld: attendre --> attendre --> attend --> attendu
Het werkwoord eindigt op -ir: haal -ir weg, zet er i voor in de plaats. Bijvoorbeeld: choisir --> choisir --> chois --> choisi
Slide 40 - Slide
STAP 3
LET OP!!!!
Deze stap doe je alléén als je bij stap 1 gekozen hebt voor être als hulpww!
Slide 41 - Slide
Deze stap alleen doen als je voor être gekozen hebt!
Mannelijk
Vrouwelijk
Enkelvoud
- Je suis venu
e
Je suis venue
Meervoud
s
Ils sont venus
es Elles sont venues
Slide 42 - Slide
Even oefenen
L'accord is de extra -e, -s of -es die je kunt krijgen als je être als hulpwerkwoord hebt gekozen.
Hier gaan wij nu mee oefenen.
Slide 43 - Slide
Son épouse est ______ à Paris.
A
arrivé
B
arrivée
C
arrivés
D
arrivées
Slide 44 - Quiz
Les garçons sont ________ à la maison.
A
rentré
B
rentrée
C
rentrés
D
rentrées
Slide 45 - Quiz
Son père est __________ à Paris.
A
allé
B
allée
C
allés
D
allées
Slide 46 - Quiz
Ik begrijp wanneer ik een e of een s toe moet voegen.