1e/4e nv ontleden + voorzetsels 4e nv

1e 
 4e 
naamval


  • Der- en Ein-Gruppe
    1e en 4e naamval herhaling.

  • De voorzetsels met de 4e naamval
1 / 26
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolvmbo t, havo, vwoLeerjaar 2,3

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

1e 
 4e 
naamval


  • Der- en Ein-Gruppe
    1e en 4e naamval herhaling.

  • De voorzetsels met de 4e naamval

Slide 1 - Slide

Leerdoelen 1/2
kennen
1. Je kent de woorden die bij  Der-groep horen.

2. Je kent de woorden die bij de Ein-groep horen.

3. Je weet hoe je de eerste en vierde  naamval vindt.

4. Je kent het schema voor de vierde naamval bij de Der-Gruppe en Ein-Gruppe.


Slide 2 - Slide

Tot de ¨der-Gruppe¨ behoren:
  • der / die / das / dies- / jen- / jed- / manch- / solch- / welch-

1. der Mann dieser                         4. den Mann diesen

1. die Frau    diese                           4. die Frau diese   

1. das  (wordt -es)Haus  dieses    4. das (wordt -es)Haus dieses

1. die Bücher     diese                     4. die Bücher diese

Slide 3 - Slide

Tot de ¨ein-Gruppe¨ behoren:
  • ein- (een)   +   kein- (geen)

  • mein-    (mijn)
  • dein-     (jouw)
  • sein-      (zijn)
  • ihr-         (haar)
  • unser-   (ons/onze)
  • euer-     (jullie)
  • ihr-         (hun)
  • Ihr-         (uw)
Deze woordgroepen krijgen dezelfde uitgang als de ein-Gruppe.



bezittelijke voornaamwoorden

Slide 4 - Slide

Plaats de woorden in de juiste groep:
Der-Gruppe
Ein-Gruppe
die
das
eure
den
deine
Ihre 
unser
keinen
die
der

Slide 5 - Drag question

Lijdend voorwerp = 4e naamval
Wie/wat + gezegde + onderwerp

Slide 6 - Slide

Der- en Ein-Gruppe in schema
     mannelijk       vrouwelijk    onzijdig      meervoud
1   der Mann        die Frau       das Kind      die Kinder
4  den Mann       die Frau       das Kind      die Kinder

1   ein Mann         eine Frau     ein Kind      meine Kinder
4  einen Mann    eine Frau     ein Kind      meine Kinder
 

Slide 7 - Slide

Als een zinsdeel onderwerp van de zin is, gebruik je ...
het onderwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:
wie/wat + gezegde

Het onderwerp is de eerste naamval.
A
de 1e naamval
B
de 2e naamval
C
de 3e naamval
D
de 4e naamval

Slide 8 - Quiz

Als een zinsdeel lijdend voorwerp van de zin is, gebruik je ...
Het lijdend voorwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:
wie/wat + gezegde + onderwerp

Het onderwerp is de vierde naamval.
A
de 1e naamval
B
de 2e naamval
C
de 3e naamval
D
de 4e naamval

Slide 9 - Quiz

Vul de juiste naamvallen in:
D... Mann sieht d... Kind.
Onderwerp (1e)
het onderwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:
wie/wat + gezegde . Dus: Wie ziet? = De man.


Lijdend voorwerp (4e)
Het lijdend voorwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:
wie/wat + gezegde + onderwerp . Dus: Wie/wat ziet de man? = het kind


Schema
A
Die Mann, das Kind
B
Der Mann, die Kind
C
Der Mann, das Kind
D
Die Mann, den Kind

Slide 10 - Quiz

Vul de juiste naamvallen in:
D... Frau kauft ein... Tasche.
Onderwerp (1e)
het onderwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:
wie/wat + gezegde . Dus: Wie/wat koopt? = De vrouw


Lijdend voorwerp (4e)
Het lijdend voorwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:
wie/wat + gezegde + onderwerp . Dus: Wie/wat koopt de vrouw? = een tas


Schema
A
Die Frau, ein Tasche
B
Die Frau, einen Tasche
C
Die Frau, eine Tasche
D
Die Frau, einer Tasche

Slide 11 - Quiz

Vul de juiste naamvallen in:
D... Junge sieht d... Hund.
Onderwerp (1e)
het onderwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:
wie/wat + gezegde . Dus: Wie ziet? = De jongen.


Lijdend voorwerp (4e)
Het lijdend voorwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:
wie/wat + gezegde + onderwerp . Dus: Wie/wat ziet de jongen? = de hond.


Schema
A
Der Junge, den Hund
B
Das Junge, der Hund
C
Der Junge, der Hund
D
Den Junge, den Hund

Slide 12 - Quiz

Leerdoelen 2/2
kennen
5. Je kent de voorzetsels met de vierde naamval.

kunnen
6. Je kunt de vierde naamval in de zin vinden en toepassen.


Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

4e naamval met voorzetsels
DOFEGUB: 
  1. durch = door
  2. ohne = zonder
  3. für = voor ( bestemd voor)
  4. entlang = langs ( staat achter het woord)
  5. gegen = tegen
  6. um= om
  7. bis= tot




Slide 15 - Slide

Voorzetsels 4e naamval
Na de voorzetsels met de 4e naamval verandert de vorm alleen bij de mannelijke zelfstandige naamwoorden.

1e naamval mannelijk:  der en ein
4e naamval mannelijk: den en einen

De uitgang in de 4e naamval mannelijk is dus ¨-EN¨
De rest blijft hetzelfde!



Slide 16 - Slide

Der- en Ein-Gruppe in schema
     mannelijk       vrouwelijk    onzijdig      meervoud
1   der Mann        die Frau       das Kind      die Kinder
4  den Mann       die Frau       das Kind      die Kinder

1   ein Mann         eine Frau     ein Kind      meine Kinder
4  einen Mann    eine Frau     ein Kind      meine Kinder
 

Slide 17 - Slide

Voorbeelden:
  1. Wir haben alle Spiele gegen die Franzosen (mv) gewonnen. 
  2. Sie geht durch den Garten. (m)
  3. Er ging ohne sein Portmonee (o) einkaufen.
  4. Ich habe diese Cd für meine Mutter gekauft.

Slide 18 - Slide

Wat is correct?

Durch welch... Tunnel (m) fahren wir jetzt? 
Schema
A
welche
B
welchen
C
welches
D
welch

Slide 19 - Quiz

Wat is correct?

Der Mann raste gegen d... Baum (m). 
Schema
A
das
B
dies
C
der
D
den

Slide 20 - Quiz

Wat is correct?

Er kopiert das Foto für jed... Schüler (m).
Schema
A
jeder
B
jede
C
jeden
D
jedes

Slide 21 - Quiz

Wat is correct?

Für dies... Mofa (o) brauche ich 500 Euro. 
Schema
A
dieses
B
diese
C
diesen
D
dieser

Slide 22 - Quiz

Leerdoelen 1/2
kennen

1. Je kent de woorden die bij de Der-groep horen. 

2. Je kent de woorden die bij de Ein-groep horen.

3. Je weet hoe je de vierde naamval vindt.

4. Je kent het schema voor de vierde naamval bij de Der-Gruppe en Ein-Gruppe.
Leerdoelen 2/2
kennen

5. Je kent de voorzetsels met de vierde naamval.

kunnen
6. Je kunt de vierde naamval in de zin vinden en toepassen.


Slide 23 - Slide

Stel 1 vraag over iets dat je deze les nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 24 - Open question

Nog even kort
  • eerste naamval    = onderwerp
  • vierde naamval    = lijdend voorwerp

  • Ook 4e naamval na voorzetsels 
  • ezelsbruggetje :  DOFEGUB

wat verandert er in de 4e naamval:
ALLEEN HET MANNELIJKE LIDWOORD!!!!!
  • Der-Gruppe  :  der -->  den
  • Ein-Gruppe   :  ein  --> einen

Slide 25 - Slide

An die Arbeit!
maken stencil

Slide 26 - Slide