Les 11 Een Nederlander in Vlaanderen

1 / 42
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecundair onderwijs

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Groot verschil?
1. Waarin verschillen Nederlanders nu eigenlijk van Vlamingen? Kan je voorbeelden geven?
pg. 140

Slide 2 - Slide

Welke verschillen worden hier aangekaard?

Slide 3 - Slide

Verschillen uit cartoons
A Nederlanders zijn opvallender, extravaganter. Ze hebben ook een andere uitspraak.
B (West-)Vlamingen spreken veel dialecten en zijn daar trots op.
C Nederlanders begrijpen niet altijd wat Vlamingen zeggen.
D Woorden krijgen een andere betekenis in Nederland en Vlaanderen.

Slide 4 - Slide

Godfried Bomans, een groot Nederlands schrijver, wist het in de jaren zeventig al: een Vlaming is geen
Nederlander. Maar waarin verschillen ze dan van elkaar?

Slide 5 - Slide

JIGSAW
Boeken toe!

Slide 6 - Slide

Lees de vragen.
Waarom veranderde de titel van het programma al na enkele dagen?
Waarom vergelijkt Bomans een Vlaming en Nederlander met een kraai en een raaf?

Slide 7 - Slide

JIGSAW
Wisselen!

Slide 8 - Slide

Lees de tekst.

Slide 9 - Slide

Beantwoord de vragen.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

2. Vooroordelen
pg. 141

Slide 12 - Slide

Is er dan inderdaad een taalverschil tussen een Vlaming en een Nederlander? Annelies Bontjes, een
correspondente van het Nederlandse dagblad Trouw, verkent voor het Radio 1-programma Nieuwe feiten ons land.
Ze brengt na tien maanden verslag uit bij Lieven Vandenhaute over hoe zij het ervaart om als Nederlander tussen
de Vlamingen te leven en welke taalverschillen ze daarbij ondervindt.

Slide 13 - Slide

Beluister het fragment en beantwoord de vragen.
 

a. Annelies Bontjes woont inmiddels tien maanden in Vlaanderen. Welke invloed heeft dit op haar taal? (1 punt)
b. Is haar Nederlands een middel tot verbinden geworden? Hoezo? (2 punten)
c. Welke twee opmerkelijke feiten stelde ze vast als ze Vlamingen onder elkaar hoorde praten? (2 punten)
d. Verklaar: ‘Dit geeft de ziel van de Vlaming weer’. (1 punt)
e. Bestaat er dan geen tussentaal in Nederland? (1 punt)

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Vlamingen houden dus van hun dialect en willen dit te allen tijde spreken, beschermen, behouden. Nederlanders
hebben geen tussentaal of kennen althans niet dezelfde gevoeligheden als Vlaming

Slide 17 - Slide

Lees de vragen.
a. Waarom hebben Vlamingen de reflex om te zeggen: ‘Die Hollanders moeten ons niet komen vertellen hoe
het zit’? 
b. Een woordkeuze om iets te benoemen zegt vaak veel over hoe men over iets denkt. Zo vinden veel Nederlanders het Vlaams schattig, lieflijk, beleefd … Welk vooroordeel schuilt daarachter?
c. Welke vooroordelen hebben Vlamingen over het Nederlands-Nederlands?
d Waarop kan de luidheid van de Nederlanders duiden?

Slide 18 - Slide

Lees de tekst en beantwoord de vragen.

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

Hoe noem jij dit?

Slide 22 - Open question

Hoe noem jij dit?

Slide 23 - Open question

Bekijk de dialectenkaarten op pg. 143

Slide 24 - Slide

Welk duidelijk verschil stel je vast als je de woordvarianten in Nederland vergelijkt met die in
Vlaanderen?

Slide 25 - Open question

Ken jij nog verschillen? Geef het Nederlands-Nederlands en Belgisch-Nederlands.

Slide 26 - Mind map

Hoekenwerk
Enkele verschillen in woordenschat onder de loep!

Slide 27 - Slide

Een stukje theorie
Taalvariatie

Slide 28 - Slide

Taalvariëteiten
  • Iedereen spreekt wel een beetje anders op het vlak van uitspraak, woordenschat, grammatica of woordvorming
  • Er bestaan dus verschillende taalvariëteiten.

Slide 29 - Slide

A. Geografische taalvariatie
  1. Natiolect
  2. Standaardnederlands
  3. Dialect
  4. Accent
  5. Regiolect
  6. Tussentaal

Slide 30 - Slide

Natiolect
België, Nederland en Suriname zijn de drie belangrijkste landen waar Nederlands wordt gesproken: Belgisch-Nederlands, Nederlands-Nederlands en Surinaams-Nederlands

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide

Standaardtaal
Het wordt gesproken in het publieke domein, zoals onderwijs, overheidscommunicatie of rechtspraak. 
→ iedereen moet alles begrijpen.

Net omwille van dat belang is de standaardtaal vastgelegd in woordenboeken, grammatica’s en officiële spelling

Slide 34 - Slide

Dialect
Taalvariëteit die heel sterk afgebakend kan worden in een bepaald geografisch gebied binnen een land. 
In België zijn er vier grote dialectgroepen: Limburgs, Brabants, Oost-Vlaams en West-Vlaams

Slide 35 - Slide

Accent
Twee mensen kunnen dezelfde taalvariëteit spreken, maar toch anders klinken. 
→ Klanken en klemtonen verschillen
= het accent of de tongval. 

Als een Vlaming en een Nederlander exact dezelfde zin voorlezen, zul je nog steeds horen wie van waar komt. Ook het verschil tussen West-Vlamingen en Limburgers is duidelijk hoorbaar.

Slide 36 - Slide

Regiolect
Niet meer het ‘oorspronkelijke’ dialect van hun streek.
→ Erg lokale eigenschappen zijn grotendeels verdwenen.
→ Eerder een taalvariëteit die wat is opgeschoven naar de standaardtaal,  (wel nog enkele duidelijk herkenbare dialectkenmerken van de regio). 

Slide 37 - Slide

Tussentaal
Een aparte vorm van het Vlaamse Nederlands 
Zit tussen het Standaardnederlands en de regiolecten/dialecten.
→ Neemt dialecten over

Slide 38 - Slide

B. Sociale taalvariatie
Hoe je spreekt, wordt beïnvloed door allerlei sociale factoren zoals leeftijd, geslacht, beroep ...
Bv. jongerentaal en vakjargon

Slide 39 - Slide

C. Etnisch gekleurde taalvariatie
Mensen  die het Nederlands niet als moedertaal hebben
→ spreken een mix van algemeen Nederlands, elementen uit de eigen moedertaal en elementen eigen aan het regiolect van het gebied waar ze wonen.
Bv. het Marokkaans-Nederlands, de Genkse citétaal

Slide 40 - Slide

D. Situationele taalvariatie
We passen ons taalgebruik aan op basis van de situatie. Dat doen we vaak onbewust.

Slide 41 - Slide

Ander taaltje?
Nederlanders spreken dus anders dan Vlamingen. Kunnen we dan spreken van twee aparte talen?

Leestoets

Slide 42 - Slide