3. De trein

3. De trein

1 / 50
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

3. De trein

Bekijk samen de praatplaat op de volgende dia.


Wat zie je?

De docent schrijft de woorden bij de plaat (op het bord).


Stel vragen: Ga jij wel eens met de bus? Of met de trein?...

Wat zie je op de volgende dia's?


(Tip: je kunt de leerlingen de woorden op laten schrijven.)

trein

station

klok

spoor

kaartje

ov-kaart

bord

trein

station

klok

spoor

kaartje

ov-kaart

bord

Wat zie je?

A

trein

B

spoor

C

klok

D

kaartje

Wat zie je?

A

spoor

B

ov-kaart

C

klok

D

trein

Wat zie je?

A

bord

B

trein

C

kaartje

D

klok

Wat zie je?

A

klok

B

trein

C

station

D

bord

Wat zie je?

A

trein

B

ov-kaart

C

kaartje

D

bord

Wat zie je?

A

station

B

spoor

C

kaartje

D

bord

Wat zie je? (laatste)

A

kaartje

B

spoor

C

bord

D

ov-kaart

1. - Bekijk samen de tekst.

   - Vraag of de leerlingen weten wat het is.

   - Leg uit dat je deze tekst niet helemaal hoeft te                lezen.


2. - Beantwoord samen de vraag.


3. - Beantwoord samen de vraag.


4. - Beantwoord samen de vraag.


Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: kruis aan/omcirkel/onderstreep.


Kijk ook goed of de leerlingen dit op de juiste manier doen.

5. - Beantwoord samen de vraag.


6. - Beantwoord samen de vraag.


Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: schrijf/kruis aan.


7. - Lees de tekst voor.

   - Bespreek de tekst.

   - Laat een paar leerlingen lezen.


8. - Beantwoord samen de vraag.


9. - Beantwoord samen de vraag.


Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: omcirkel/onderstreep.

10.  - Bekijk samen de tekst.

       - Vraag of de leerlingen weten wat het is.

       - Leg uit dat je deze tekst niet helemaal hoeft te               lezen.


11. - Beantwoord samen de vraag.


12. - Beantwoord samen de vraag.


Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: omcirkel/onderstreep.





13. - Bekijk samen de tekst.

      - Vraag of de leerlingen weten wat het is.

      - Leg uit dat je deze tekst niet helemaal hoeft te              lezen.


14. - Beantwoord samen de vraag.


15. - Beantwoord samen de vraag.


Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: omcirkel/onderstreep.





16.  - Lees de tekst voor.

       - Bespreek de tekst.

       - Laat een paar leerlingen de tekst lezen.


17. - Beantwoord samen de vraag.


Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: lees en schrijf.










trein

kaartje

spoor

bord

klok

Hakken - plakken


Welke woorden hoor je?

bus

kaart

bord

trein

raam

fluit

spoor

klok

tijd

Luister goed en zeg na:

(laatste)

Ik ga op reis.

Ik ga met de trein.

Ik koop een kaart.

Ik wacht op de trein.

Ik zoek een stoel.

Ik kijk uit het raam.

Ik lees in een boek.

Het is fijn in de trein.