Tips voor het maken van een toets

Tips voor een toets

Deze les: 

* Voorbereiden voor een toets
(herhaling)
* Tips tijdens de toets
* Verschillende toetsvragen


1 / 15
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Tips voor een toets

Deze les: 

* Voorbereiden voor een toets
(herhaling)
* Tips tijdens de toets
* Verschillende toetsvragen


Slide 1 - Slide

Herhaling
De vorige mentorlessen heb je geleerd: 

- Hoe je een goede planning moet maken 
- Op welke manieren je kunt leren voor een toets
(samenvatten, mindmap, woordjes leren, agenda bijhouden, quizlet (flashcards)

Slide 2 - Slide

Herhaling:
Op welke manier leer jij (meestal) voor een toets? (studievaardigheden)

Slide 3 - Mind map

Herhaling:
Waar let je op bij het maken van een goede planning?

Slide 4 - Open question

Welke spullen neem je altijd mee naar een toets?

Slide 5 - Mind map

Spullen
- Blauwe of zwarte pen 

Extra voor wiskunde: 
- Potlood
- Geodriehoek
- Gum
- Rekenmachine*

Slide 6 - Slide

Vlak voor de toets (TIPS)
1. Het is niet verstandig om vlak voor de toets nog met anderen te overleggen over de leerstof. dit kan je alleen maar zenuwachtig maken. 

2. Ga rustig zitten, hoe sneller je kunt beginnen aan de toets, hoe meer tijd je hebt. 

3. Zet altijd eerst je naam, achternaam en klas bovenaan je toets. 

Slide 7 - Slide

Een toets maken (TIPS)
1. Lees eerst alle vragen globaal door, begin daarna met het maken van de toets. 
2. Het goed lezen van de vraag, scheelt ontzettend veel! Begrijp je een vraag niet? Lees de vraag dan nog eens rustig door of vraag om uitleg aan de docent. 
TIP: Begin bij de vraag waarop je het antwoord (zeker) weet.
Je krijgt hiervan weer wat vertrouwen 👌.


Slide 8 - Slide

De 5 minuten test

Slide 9 - Slide


Hoe ga jij om met spanningen voor een toets?
Wat doe je dan precies?

Slide 10 - Open question

Verschillende toetsvragen
1. Het verschil tussen kennen en kunnen 
2. Open- en gesloten vragen

Slide 11 - Slide

Kennen 
(kennisvragen)

- Gaan vaak over feiten 
- leren en onthouden 
- soms stampen (bijv. begrippen/woordjes) 


Voorbeelden:
1.  Wanneer was de Tweede wereldoorlog?
2. Hoe ontstaat een aardbeving?
3. Wat is een werkwoord? 



Kunnen 
(begrijpen en toepassen)

- de kennis begrijpen en gebruiken 
- begrippen (of kennis) kunnen koppelen aan een vraag. 

Voorbeelden:
1. Noteer alle werkwoorden uit de zin 
(hiervoor moet je wel eerst weten wat een werkwoord is (kennis)
2. Leg uit over welke historische gebeurtenis dit plaatje gaat. 
3. Bereken het gemiddelde energieverbruik

Slide 12 - Slide

Tips bij: Gesloten vragen 
(meerkeuze)

1. Lees eerst goed vraag en probeer zelf het antwoord te bedenken. 
>>> Kijk daarna pas naar de antwoordmogelijkheden. <<<

2. Twijfel? Meestal klopt je eerste gevoel. 

3. Weet je het echt niet? Vul ALTIJD iets in. Misschien gok je wel goed :) 

Tips bij:  Open vragen
(zelf invullen)

1. Lees eerst goed wat je moet doen! Moet je alleen een woordje vertalen? Of moet je alleen vertellen wat heb begrip betekend? Of moet je meer informatie geven? 
2. Gebruik de begrippen in je antwoord die je geleerd hebt. 

3. Een SOM? Schrijf ook de berekening op. Hoe ben je bij dit antwoord gekomen? 
4. Schrijf duidelijk en netjes. Onleesbaar wordt fout gerekend!

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Wat heb je deze les geleerd en welke tip ga jij toepassen op de volgende toets?

Slide 15 - Open question