8. Ik ga naar school

Mijn omgeving en de route naar school

1 / 28
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNT2ISK

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 300 min
Report this lesson

Items in this lesson

Mijn omgeving en de route naar school

Naar school

voorkennis activeren

Welke woorden ken je?

5

minute

00

second

Aan het einde van de les kun je...

  • praten over je omgeving.

  • vertellen hoe jij naar school gaat.





lesdoel

instructie

Waar ga je naartoe?

A

1

B

2

C

3

D

4

Hoe ga je naar huis?

A

1

B

5

C

3

D

4

Woon je ver weg?

A

4

B

3

C

5

D

1

Is het druk op straat?

A

4

B

6

C

5

D

3

Vervoer naar school

Met het openbaar vervoer

Sommige kinderen nemen de bus, trein of tram. Ook dit is een manier om naar school te gaan.

Op de fiets of lopend

Veel kinderen gaan lopend of met de fiets naar school. Dit is gezond en lekker actief.

Hoe ga jij naar school?

Vertel in de klas op welke manier jij naar school gaat en waarom je daarvoor kiest.

Deel 1

Ik woon in de stad.

Woon jij ook in de stad?

-Nee, ik woon in een dorp.

-Vind jij het leuk in de stad?

Ja, ik vind het leuk in de stad.

Maar er is veel verkeer.

Auto's, fietsen, de tram.

-Ik fiets naar school.

-Er is niet veel verkeer.

Ik loop naar school.

Ik steek de straat over

Ik moet goed opletten


Deel 2

En jij?

Vind jij het leuk in het dorp?

Ja, ik vind het leuk in het dorp.

Het is niet druk in mijn straat.

Hier woon ik.

Ik woon in een flat.

Ik woon bij een park.

Ik loop in het park.

Ik ben graag buiten.

Haha!

Jij woont in de stad. Jij bent graag buiten.

Ik woon in een dorp. Ik ben graag binnen.

Voorbeeld

Ik loop naar de bushalte.

Ik wacht bij het stoplicht.

Ik steek de straat over.

Ik loop over het zebrapad.

Ik ga naar rechts.


Ik fiets naar school.

Ik steek de straat over bij het stoplicht.

Ik parkeer de fiets.

Ik loop naar binnen.