3.6 Geneesmiddelen/ een geneesmiddel gebruiken

3.6 Geneesmiddelen/ een geneesmiddel gebruiken
1 / 20
next
Slide 1: Slide
Biologie / VerzorgingMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

3.6 Geneesmiddelen/ een geneesmiddel gebruiken

Slide 1 - Slide

wat gaan we doen vandaag
leerdoel 3.6 geneesmiddelen/ een geneesmiddel gebruiken
theorie 3.6
aan de slag
afsluiten

Slide 2 - Slide

Adrian gaat naar de dokter. De dokter stelt 6 a 7 vragen om er achter te komen wat Adrain mankeert. Hoe noem je deze vorm van onderzoek?
A
anamnese
B
diagnose
C
behandeling
D
dosering

Slide 3 - Quiz

Leerdoel 
Je kunt beschrijven welke vormen van geneesmiddelen verkrijgbaar zijn, waar je ze kunt kopen en waar je op moet letten bij het gebruik 

Slide 4 - Slide

geneesmiddelen

Slide 5 - Mind map

Beter worden 

Medicijn noem je ook wel; 
Geneesmiddel: stof met genezende werking
 
Recept: is een documentje waarin de huisarts of specialist laat weten wat je moet hebben (naam, hoe vaak en hoeveel )


Slide 6 - Slide

Recept
Je hebt een recept nodig voor medicijnen die gevaarlijk kunnen zijn als je ze niet goed gebruikt. Dat zijn bijvoorbeeld slaapmiddelen en antibiotica.

Geneesmiddelen waarvoor geen recept nodig is, koop je bij de drogist of in de supermarkt. Voorbeelden hiervan zijn pijnstillers, hoestdrankjes en neusdruppels.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Video

De apotheek
Geneesmiddelen met een recept haal je bij de apotheek. 

Vroeger maakten apothekers de medicijnen zelf. Tegenwoordig worden de meeste geneesmiddelen kant-en-klaar geleverd. Soms maakt een apotheker een bijzondere samenstelling van een geneesmiddel. 

Ook geeft een apotheker advies. 

Apothekersassistente (mbo4)

Slide 9 - Slide

zetpil
Sommige kinderen slikken een tablet slecht door. De apotheek levert dan het medicijn in een andere vorm, zoals een zetpil of een drankje. Een zetpil is een pil die in de anus wordt ingebracht.


Slide 10 - Slide

bijsluiter

Slide 11 - Mind map

Bijwerkingen
 =schadelijke of onbedoelde effecten.
Een bijwerking kan zijn dat een medicijn het effect van een ander medicijn versterkt, of juist vermindert. Bepaalde hartmedicijnen zorgen er voor dat een middel tegen astma minder goed werkt. De apotheker en huisarts geven hierover advies. 

Het is dus belangrijk dat zij weten welke medicijnen je al gebruikt. Je moet daarom ook nooit medicijnen gebruiken die voor iemand anders bedoeld zijn.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Bewaren van geneesmiddelen
geneesmiddelen  over de houdbaarheidsdatum = bij het klein chemisch afval of breng je terug naar de apotheek. 

Als je ze doorspoelt of weggooit, vervuilen ze de bodem of het water. 
Ook bestaat de kans dat kinderen ze vinden.

Geneesmiddelen bewaar je op een plek waar kinderen niet bij kunnen, zoals een hooggeplaatst of afsluitbaar kastje.

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Video

Slide 17 - Video

Aan de slag
Wat: lees de tekst op blz. 161 en maak opdracht 1 t/m 3
Hoe: voor jezelf, in stilte
Hoe lang: zie timer
Klaar? Kijk je opdrachten kritisch na!
Resultaat: alle opdrachten van Thema 3 zijn af!
timer
15:00

Slide 18 - Slide

Leerdoel 
Je kunt beschrijven welke vormen van geneesmiddelen verkrijgbaar zijn, waar je ze kunt kopen en waar je op moet letten bij het gebruik 

Slide 19 - Slide

Afsluiten
Hoe ging de les?
Volgende keer: diagnostische toets

Slide 20 - Slide