LLT P1L3 Beginsituatie

LLT P1L3 Beginsituatie

1 / 52
next
Slide 1: Slide
New lesson editorLLTTertiary Education

This lesson contains 52 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min
Report this lesson

Items in this lesson

LLT P1L3 Beginsituatie

Open de les met het idee dat een goede les niet begint bij de oefening, maar bij weten wie je voor je hebt en onder welke omstandigheden je lesgeeft.

Lesdoel

Ik kan de beginsituatie analyseren en het lesvoorbereidingsformulier correct en volledig invullen met behulp van het didactisch model van Gelder.

This item has no instructions

Welke woorden passen volgens jou bij beginsituatie?

Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen. Verwachte thema’s: startniveau, voorkennis, groep, lesgever, materiaal, veiligheid, observeren.

Wat is een beginsituatie?

De beginsituatie is de startsituatie van een les of training.


Het gaat om wat deelnemers al kunnen, al weten en nodig hebben voordat jij start.


Als lesgever onderzoek je deze situatie eerst, zodat je les past bij de groep.

Benadruk dat beginsituatie meer is dan alleen niveau. Het gaat ook om motivatie, veiligheid, materiaal en jouw eigen rol als lesgever.

Waarom is de beginsituatie belangrijk?

  • Je kiest passende doelen

  • Je voorkomt te makkelijke of te moeilijke opdrachten

  • Je sluit aan bij voorkennis en ervaring

  • Je maakt de les veiliger en duidelijker

Koppel dit aan praktijkvoorbeelden: een te moeilijke oefening geeft frustratie, een te makkelijke oefening geeft verveling.

Analyseren en observeren

Om de beginsituatie te kennen, moet je analyseren en observeren.


Analyseren is iets grondig onderzoeken en ontleden.

Observeren is bewust en doelgericht waarnemen.


Als lesgever kijk je dus niet zomaar, maar let je op concrete signalen in de groep.

Leg uit dat observeren informatie oplevert en analyseren helpt om die informatie te begrijpen en te gebruiken in de lesvoorbereiding.

Concrete gevolgen voor je les

De beginsituatie heeft consequenties voor jouw keuzes:


  • welke oefenstof je aanbiedt

  • hoe moeilijk de opdracht is

  • hoeveel uitleg nodig is

  • hoe je groepen maakt

  • welke materialen je gebruikt

Gebruik hier het woord 'concrete' expliciet: leerlingen moeten begrijpen dat beginsituatie leidt tot tastbare keuzes in de les.

De plaats in het didactisch model van Gelder

In het didactisch model van Gelder staat de beginsituatie aan het begin van je voorbereiding.


Je kijkt eerst naar de startsituatie en daarna maak je keuzes voor:

  • leerdoelen

  • leerinhoud

  • werkwijze

  • organisatie

  • evaluatie

Noem dat de beginsituatie richting geeft aan de rest van het model. Het is dus geen los onderdeel, maar de basis van alle keuzes.

This item has no instructions

Van beginsituatie naar leskeuzes

Beginsituatie → passende doelen → geschikte leerinhoud → juiste aanpak → goede evaluatie


Als de startsituatie niet klopt in je voorbereiding, sluiten de rest van je keuzes vaak ook minder goed aan.

Gebruik deze slide om de samenhang in het model zichtbaar te maken. Houd het eenvoudig op A2-niveau.

Wat betekent dit in de praktijk?

Een jonge, onervaren groep vraagt vaak om:

  • eenvoudige uitleg

  • veilige organisatie

  • korte opdrachten

  • veel voordoen


Een ervaren groep kan vaak meer zelfstandigheid aan.

Laat zien dat dezelfde lesinhoud anders wordt aangeboden bij een andere beginsituatie.

Het model helpt je onderbouwen

Met het didactisch model van Gelder kun je uitleggen waarom je bepaalde keuzes maakt.


Je les is dan niet zomaar bedacht, maar opgebouwd vanuit de beginsituatie van deelnemers, lesgever en omstandigheden.

Benadruk het woord 'onderbouwen': studenten moeten hun keuzes kunnen verantwoorden op het lesvoorbereidingsformulier.

Waar staat de beginsituatie in het model van Gelder?

A

Aan het begin

B

Bij evaluatie

C

Na leerinhoud

D

Na organisatie

Toetst of leerlingen zien dat de beginsituatie het vertrekpunt is voor alle andere keuzes.

Vul de kernwoorden in

De beginsituatie is de startsituatie van een les of training. Als lesgever ga je eerst observeren en analyseren. Daarna kies je passende leerdoelen en een goede werkwijze binnen het model van Gelder.

beginsituatie
observeren
leerdoelen
evaluatie
randvoorwaarden
heterogene
materialen

De drie kernwoorden komen letterlijk uit het eerste inhoudsblok: beginsituatie, observeren en leerdoelen.

Waarom vraagt een jonge groep om een andere aanpak?

Bespreek dat goede antwoorden laten zien: jonge/onervaren groep -> eenvoudiger uitleg, korte opdrachten, meer voordoen, veilige organisatie. Er is geen exact modelantwoord nodig.

Vier beginsituatiefactoren

De beginsituatie beschrijf je aan de hand van vier factoren:


  • de groep

  • de individuele SB-deelnemer

  • de lesgever

  • de randvoorwaarden


Samen geven deze factoren een volledig beeld van de startsituatie.

SB staat hier voor sport- en beweegdeelnemers. Licht dat mondeling toe als dat in de opleiding gebruikelijk is.

1. De groep

Bij de groep kijk je naar kenmerken van de hele groep:

  • grootte van de groep

  • leeftijd

  • sfeer

  • niveauverschillen

  • motivatie


Hierbij let je ook op of een groep homogeen of heterogeen is.

Laat voorbeelden geven van een rustige groep, drukke groep, hechte groep of onzekere groep, zonder daar een activiteit van te maken op de slide.

Homogene en heterogene groep

Een homogene groep heeft ongeveer dezelfde kenmerken of hetzelfde niveau.


Een heterogene groep heeft meer verschillen in niveau, ervaring of gedrag.


Bij een heterogene groep moet je vaak meer differentiëren.

Differentiëren hoeft niet uitgebreid uitgelegd te worden; noem kort dat je dan verschillende opdrachten of niveaus aanbiedt.

2. De individuele SB-deelnemer

Naast de groep kijk je ook naar losse deelnemers.


Niet iedereen leert even snel of durft evenveel.


Je let bijvoorbeeld op:

  • ervaring

  • zelfvertrouwen

  • belastbaarheid

  • hulpbehoefte

Maak duidelijk dat een groep gemiddeld niveau kan hebben, terwijl enkele deelnemers extra aandacht nodig hebben.

3. De lesgever

Ook jij bent deel van de beginsituatie.


Denk aan:

  • jouw kennis en ervaring

  • jouw manier van uitleggen

  • jouw voorbeeldgedrag

  • jouw sterke en minder sterke punten


Je les moet ook passen bij wat jij al kunt als trainer of lesgever.

Voorkom dat dit te negatief wordt. Het gaat om eerlijk en professioneel kijken naar je eigen startpunt.

4. De randvoorwaarden

Randvoorwaarden zijn de voorwaarden om een les goed te laten verlopen:

  • tijd

  • ruimte of accommodatie

  • materialen en hulpmiddelen


Deze factoren bepalen wat haalbaar en veilig is.

Noem voorbeelden zoals een kleine zaal, weinig ballen of een korte lestijd. Dat maakt het begrip concreet.

Welke factor hoort NIET bij de vier beginsituatiefactoren?

A

De lesgever

B

De evaluatie

C

De groep

D

Randvoorwaarden

Evaluatie hoort bij het didactisch model, maar niet bij de vier beginsituatiefactoren.

Maak de uitleg compleet

De beginsituatie beschrijf je met vier factoren: de groep, de individuele SB-deelnemer, de lesgever en de randvoorwaarden. Bij de groep kijk je ook of die homogeen of heterogeen is.

groep
lesgever
randvoorwaarden
evaluatie
leerinhoud
motorisch
organisatie

Controleert de vaste vierdeling uit dit subtopic.

Welke factor vind jij het lastigst om goed te beschrijven?

1

De groep

2

SB-deelnemer

3

De lesgever

4

Randvoorwaarden

This item has no instructions

De beginsituatie van SB-deelnemers

Bij SB-deelnemers beschrijf je vaak drie niveaus:


  • motorisch

  • cognitief

  • sociaal-affectief


Met deze drie niveaus krijg je een duidelijk beeld van wat deelnemers nodig hebben.

Deze slide vormt de overgang van algemene beginsituatiefactoren naar het specifiek beschrijven van deelnemers.

Motorisch niveau

Het motorisch niveau gaat over bewegen en het uitvoeren van vaardigheden.


Je kijkt naar:

  • techniek

  • coördinatie

  • tempo

  • controle van beweging

  • ervaring in het motorisch leerproces

Leg uit dat motorisch leerproces gaat over de fasen die iemand doorloopt bij het leren van bewegingsvaardigheden.

Bewegingseigenschappen

Bij het motorisch niveau spelen ook bewegingseigenschappen mee:

  • kracht

  • lenigheid

  • snelheid

  • uithoudingsvermogen

  • coördinatie


Deze eigenschappen zeggen iets over de lichamelijke toestand van deelnemers.

Maak duidelijk dat deze eigenschappen kunnen verschillen per deelnemer en invloed hebben op oefenkeuze en belasting.

Cognitief niveau

Het cognitief niveau heeft te maken met denken en begrijpen.


Je kijkt bijvoorbeeld naar:

  • waarnemen

  • geheugen

  • taalbegrip

  • concentratie

  • begrijpen van uitleg en regels

Verbind dit aan lesgeven: een deelnemer met minder taalbegrip heeft kortere en eenvoudigere instructie nodig.

Sociaal-affectief niveau

Het sociaal-affectief niveau gaat over gevoelens, houding en omgaan met anderen.


Denk aan:

  • samenwerken

  • durf en zelfvertrouwen

  • omgaan met winst en verlies

  • communicatie

  • respect voor anderen

Benadruk dat dit niveau veel invloed heeft op sfeer, veiligheid en deelname in de les.

Drie niveaus hangen samen

Een deelnemer kan motorisch sterk zijn, maar cognitief of sociaal-affectief meer ondersteuning nodig hebben.


Daarom kijk je altijd naar het totaalbeeld en niet naar maar één niveau.

Goed moment om te benadrukken dat de beginsituatie breed wordt beschreven en niet alleen op prestatie.

Jezelf beschrijven als lesgever

Bij jouw eigen beginsituatie kijk je eerlijk naar je rol als lesgever of trainer.


Je beschrijft wat jij meebrengt aan kennis, ervaring en vaardigheden voordat de les start.

Maak de overgang van deelnemers naar de lesgever: niet alleen de groep heeft een startsituatie, jij ook.

Waar let je op bij jezelf?

Beschrijf bijvoorbeeld:

  • kennis van de lesstof

  • ervaring met deze doelgroep

  • eigen sportvaardigheid

  • duidelijkheid van uitleg

  • kunnen organiseren en begeleiden

Noem dat studenten niet perfect hoeven te zijn; ze moeten hun eigen beginsituatie realistisch inschatten.

Waarom jouw beginsituatie telt

Als jij weinig ervaring hebt, kies je misschien voor:

  • een eenvoudigere organisatie

  • minder ingewikkelde oefenvormen

  • extra voorbereiding

  • duidelijke tijdsplanning


Zo blijft de les haalbaar en overzichtelijk.

Leg uit dat professioneel lesgeven ook betekent dat je je grenzen kent en daarop plant.

Welk niveau gaat over denken en begrijpen?

A

Motorisch

B

Sociaal-affectief

C

Cognitief

D

Lichamelijk

‘Lichamelijk’ is een plausibele afleider, maar de les gebruikt de term cognitief voor denken en begrijpen.

Vul de drie niveaus in

Bij SB-deelnemers kijk je naar drie niveaus. Het motorisch niveau gaat over bewegen en vaardigheden. Het cognitief niveau gaat over denken, taal en concentratie. Het sociaal-affectief niveau gaat over gevoelens, houding en omgaan met anderen.

motorisch
cognitief
sociaal-affectief
homogeen
randvoorwaarden
evaluatie
organisatie

Laat leerlingen de drie kernniveaus uit elkaar houden.

Welke eigenschap van jezelf telt mee als lesgever?

Bespreek dat antwoorden iets moeten noemen over eigen kennis/ervaring/uitleg/organisatie en hoe dat invloed heeft op leskeuzes. Geen exact antwoord nodig.

Van beschrijven naar invullen

De informatie over deelnemers, lesgever en randvoorwaarden gebruik je bij het invullen van het lesvoorbereidingsformulier.


Zo worden je keuzes zichtbaar en logisch uitgewerkt.

Deze slide bouwt de brug naar het formulier en de toepassing van alle vorige inhoud.

Het lesvoorbereidingsformulier

Op een lesvoorbereidingsformulier zet je de belangrijkste onderdelen van je les overzichtelijk bij elkaar.


De beginsituatie is daarin een vast en belangrijk onderdeel.

Houd het algemeen, omdat formulieren per opleiding kunnen verschillen. De kern is dat het formulier keuzes ordent en verantwoordt.

Wat vul je correct in?

Een volledig formulier bevat in elk geval:

  • beginsituatie

  • lesdoel

  • leerinhoud

  • organisatie

  • materialen

  • tijd

  • evaluatie

Koppel deze onderdelen terug aan het didactisch model van Gelder zonder extra nieuwe termen toe te voegen als die niet in de opleiding worden gebruikt.

Beginsituatie op het formulier

Bij dit onderdeel noteer je concrete informatie:

  • hoe de groep is samengesteld

  • welk niveau deelnemers hebben

  • wat jij als lesgever meebrengt

  • welke randvoorwaarden gelden


Vage omschrijvingen maken je voorbereiding minder bruikbaar.

Geef mondeling een contrast tussen vaag ('leuke groep') en concreet ('12 deelnemers, niveauverschil groot, weinig ervaring').

Werken met het model van Gelder

Bij het invullen van het formulier werk je vanuit het didactisch model van Gelder:


beginsituatie → lesdoel → leerinhoud → organisatie en aanpak → evaluatie


Zo sluit elk onderdeel aan op het vorige.

Dit is de kernslide voor de door de gebruiker gevraagde koppeling met het model van Gelder.

Opdracht in je lesvoorbereiding

Maak een lesvoorbereiding waarin je:

  • de beginsituatie analyseert

  • de vier beginsituatiefactoren beschrijft

  • het niveau van SB-deelnemers benoemt

  • jezelf als lesgever beschrijft

  • het formulier volledig invult volgens het model van Gelder

Dit is bewust geformuleerd als inhoud van de opdracht, zonder werkvorm of klassikale interactie uit te schrijven. De docent kan dit later verder toelichten.

Checklist voor een goede invulling

Controleer of je formulier:

  • volledig is

  • concreet is

  • logisch is opgebouwd

  • past bij de groep

  • rekening houdt met randvoorwaarden

  • aansluit bij het lesdoel

Benadruk dat correct invullen niet alleen 'alles opschrijven' is, maar ook zorgen dat onderdelen goed op elkaar aansluiten.

Wat hoort op een volledig lesvoorbereidingsformulier?

A

Alleen lesdoel

B

Alleen evaluatie

C

Alleen materiaal

D

Beginsituatie en meer

De juiste keuze verwijst naar het idee dat een formulier meerdere onderdelen bevat, niet slechts één.

Zet de volgorde goed

In het model van Gelder werk je van beginsituatie naar lesdoel, daarna naar leerinhoud, organisatie en aanpak, en tot slot naar evaluatie. Zo sluit elk onderdeel aan op het vorige.

beginsituatie
lesdoel
evaluatie
groep
observeren
coördinatie
zelfvertrouwen

Toetst de volgorde die nodig is voor de opdracht en het formulier.

Waarom moet je beginsituatie concreet opschrijven?

Bespreek dat concrete informatie specifiek en bruikbaar is, bijvoorbeeld aantal deelnemers, niveauverschillen, tijd, ruimte of eigen ervaring. Vermijd vage woorden zoals ‘leuk’ of ‘goed’.

Opdrachten uit het boek

Opdracht 1, 3, 6, 7, 8, 9, 10a, 11, 14, 15, 16 en 17, boek hoofdstuk 2 

This item has no instructions

Wat heb jij vandaag het best geleerd?

Laat leerlingen kort terugkijken op hun leerwinst. Mogelijke thema’s: beginsituatie, vier factoren, drie niveaus, model van Gelder, formulier.

Wat vond jij het moeilijkste deel van deze les?

Gebruik antwoorden om te zien waar extra uitleg nodig is in een volgende les of bij de opdracht.

Noem één woord dat jij onthoudt uit deze les

Laat leerlingen kernwoorden delen, bijvoorbeeld beginsituatie, groep, cognitief, randvoorwaarden, observeren of Gelder.

Begrippenlijst

Analyseren - het grondig onderzoeken en ontleden van iets.

Beginsituatie - de startsituatie: wat deelnemers al beheersen en weten vóór de les of training.

Beginsituatiefactoren - factoren van de startsituatie: de groep, de individuele SB-deelnemer, de lesgever en de randvoorwaarden.

Bewegingseigenschappen - vijf basiskenmerken van de lichamelijke toestand: kracht, lenigheid, snelheid, uithoudingsvermogen en coördinatie.

Cognitief - alles wat te maken heeft met denken, waarnemen, geheugen, intelligentie, taal en concentratie.

Concrete - tastbare, duidelijke.

Consequenties - gevolgen.

This item has no instructions

Begrippenlijst

Heterogene groep - een groep met uiteenlopende kenmerken en een verschillend niveau.

Homogene groep - een groep met dezelfde kenmerken en hetzelfde niveau.

Motorisch leerproces - de fasen die iemand doorloopt bij het aanleren van bewegingsvaardigheden.

Observeren - bewust en doelgericht waarnemen van iets of iemand.

Randvoorwaarden - eisen om iets goed te laten verlopen, zoals tijd, ruimte of accommodatie en materialen of hulpmiddelen.

Sociaal-affectief - alles wat te maken heeft met gevoelsleven, houdingen, relaties, sociale vaardigheden en communicatieve vaardigheden.

This item has no instructions