Paragraaf 3.1 en 3.2 Oude Grieken

Waarom gingen de Grieken vanaf 750 v. Chr. over tot het stichten van koloniën?
A
door het gebrek aan landbouwgrond
B
om overtollige producten te verkopen
C
verspreiden van de eigen beschaving
D
om zich te verdedigen tegen de Perzen
1 / 25
next
Slide 1: Quiz
GeschiedenisGrieksMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes.

Items in this lesson

Waarom gingen de Grieken vanaf 750 v. Chr. over tot het stichten van koloniën?
A
door het gebrek aan landbouwgrond
B
om overtollige producten te verkopen
C
verspreiden van de eigen beschaving
D
om zich te verdedigen tegen de Perzen

Slide 1 - Quiz

Wat gebeurde er precies, wanneer er in het democratische Athene het ostracisme werd toegepast?
A
Over een belangrijk onderwerp werd bij handopsteken gestemd
B
Er werd een ijzeren discipline opgelegd aan het volk
C
Het besluit viel om ten oorlog te trekken
D
Iemand die gevaarlijk werd geacht, werd voor tien jaar verbannen

Slide 2 - Quiz

De Grieken voelden zich één volk. Dat kwam echter beslist niet door
A
gemeenschappelijke taal
B
Homerus’ heldendichten
C
staatkundige stabiliteit
D
dezelfde godsdienst

Slide 3 - Quiz

Welke dochter van Zeus was beschermgodin van een belangrijke stad?
A
Hera
B
Juno
C
Demeter
D
Athene

Slide 4 - Quiz

In een landbouwstedelijke samenleving wonen de meeste mensen in een....
A
Stad
B
Dorp

Slide 5 - Quiz

Hoe heet een staat bestaande uit een een stad met omliggend gebied?
A
Wereldrijk
B
Kolonie
C
Monarchie
D
Stadstaat

Slide 6 - Quiz

Een alleenheerser die onwettig de macht gegrepen heeft noemen we een......
A
Koning
B
Tiran
C
Monarch
D
Aristocraat

Slide 7 - Quiz


A
Voor de landbouw revolutie
B
Na de landbouwrevolutie
C
Tijdens de landbouwrevolutie
D
In de tijd van Grieken en Romeinen

Slide 8 - Quiz

In een aristocratie is de macht in handen van....
A
Het volk
B
Een tiran
C
Een groep aanzienlijken
D
Een dictator

Slide 9 - Quiz

Hoe noemen we iets dat zo goed en voorbeeldig is dat het vaak wordt nagevolgd?
A
Politiek
B
Antiek
C
Klassiek
D
Retoriek

Slide 10 - Quiz

Bij het Orakel van Delphi kon men in de Griekse tijd vragen stellen aan de god....
A
Hera
B
Zeus
C
Poseidon
D
Apollo

Slide 11 - Quiz

Wat zijn poleis?
A
Griekse steden
B
De aanduiding voor Griekenland
C
Stadstaten
D
Onafhankelijke steden binnen het Griekse rijk

Slide 12 - Quiz

Hoe noemen we datgene dat te maken heeft met het besturen van een gebied?
A
Beschaving
B
Politiek
C
Rechtspraak
D
Wetenschap

Slide 13 - Quiz

In Athene kreeg je burgerrecht als...
A
Je in Athene geboren was
B
Je vader in Athene geboren was
C
Je beide ouders in Athene geboren waren
D
Je moeder in Athene geboren was

Slide 14 - Quiz

Het Oude Griekenland bestond uit
A
Meer dan 50 zelfstandige gemeenschappen
B
Meer dan 100 zelfstandige gemeenschappen
C
Meer dan 150 zelfstandige gemeenschappen
D
Meer dan 200 zelfstandige gemeenschappen

Slide 15 - Quiz

Athene was de grootste polis in het Oude Griekenland
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quiz

Hoeveel procent van het Oude Griekenland was geschikt als landbouwgrond?
A
20
B
40
C
60
D
80

Slide 17 - Quiz

Welk van onderstaande steden is geen Griekse kolonie?
A
Marseille
B
Cyrene
C
Istanbul
D
Libanon

Slide 18 - Quiz

In een oligarchie is de macht in handen van
A
Priesters
B
Het volk
C
De 'besten'
D
Weinigen

Slide 19 - Quiz

De Grieken leerden geld kennen in de
A
8e eeuw v. Chr.
B
7e eeuw v. Chr.
C
6e eeuw v. Chr.
D
5e eeuw v. Chr.

Slide 20 - Quiz

De handel was voor de Grieken belangrijk. Ze verkochten
A
graan, wijn en olijfolie
B
olijfolie, aardewerk en wijn
C
aardewerk, graan en wijn
D
olijfolie, aardewerk en graan

Slide 21 - Quiz

Stelling: Spartaanse meisjes werden net zo hard getraind als jongens
A
Juist
B
Onjuist

Slide 22 - Quiz

De Atheense democratie is bedacht door:
A
Pisistratus
B
Kleisthenes
C
Solon
D
Perikles

Slide 23 - Quiz

Bij belangrijke beslissingen moesten in Athene tenminste zoveel burgers aanwezig zijn:
A
10.000
B
8.000
C
6.000
D
4.000

Slide 24 - Quiz

"De aristocratie is de beste bestuursvorm", is een uitspraak van:
A
Sokrates
B
Plato

Slide 25 - Quiz