BLB Hoofdletters en interpunctie les 1

Doel van de les:

- Je weet wanneer je een HOOFDLETTER moet gebruiken.
- Je weet wanneer je een . punt moet gebruiken.
- Je weet wanneer je een ? vraagteken moet gebruiken.
- Je weet wanneer je een ! uitroepteken moet gebruiken.


1 / 50
next
Slide 1: Slide
NT2PraktijkonderwijsLeerjaar 2

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Doel van de les:

- Je weet wanneer je een HOOFDLETTER moet gebruiken.
- Je weet wanneer je een . punt moet gebruiken.
- Je weet wanneer je een ? vraagteken moet gebruiken.
- Je weet wanneer je een ! uitroepteken moet gebruiken.


Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Waarom moet je dit leren?

De teksten die je schrijft zijn dan beter te begrijpen.

De teksten die je schrijft zien er netjes en verzorgd uit.

Dat is belangrijk voor school, maar ook later in je werk.



Slide 2 - Slide

This item has no instructions

morgen
morgen gaan we zwemmen morgen schijnt de zon de hele dag en wordt het 28 graden ahmed vraagt aan salam of hij ook mee gaat zwemmen maar salam heeft geen zin hij gaat liever voetballen maar het is veel te warm om te voetballen morgen zegt ahmed tegen salam dat is niet erg zegt salam ik hou niet van zwemmen en ik heb ook geen zwembroek

Slide 3 - Slide

Lees de tekst zelf voor of laat een leerling lezen als er een leerling is die wil lezen. Lees zo monotoon mogelijk voor en zorg ervoor dat je niet automatisch de leestekens gaat plaatsen tijdens het voorlezen.
Wanneer gebruik je een hoofdletter?

Slide 4 - Slide

- Bij namen.
Daan Jansen
Jan van Vilsteren
Margriet van der Toren
Let op! Laat duidelijk zien hoe het werkt als je de voornaam weghaalt. 
mevrouw Van der Toren
- Bij aardrijkskundige namen.
- Bij namen van feestdagen.
- Bij merknamen.
Bij een citaat, na de dubbele punt.
Alleen aandacht voor de hoofdletters in deze les.
voorbeeld op bord.
Mevrouw Jetty zegt: "Morgen wordt het een warme dag."
Hoofdletter
- Bij namen:
Daan Jansen
Jan van Vilsteren
mevrouw van der Toren

- Bij aardrijkskundige namen: Emmalaan 25, Emmen, Nederland, Rietplas

- Bij namen van feestdagen: Pasen, Pinksteren, Hemelvaart, Kerstmis

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Welke is goed?
A
amsterdam
B
Amsterdam

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
Pasen
B
pasen

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
Jan van Buren
B
Jan Van Buren
C
Jan Van buren
D
jan van buren

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
mevrouw van Steen
B
mevrouw Van Steen

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
Netflix
B
audi
C
coca-cola
D
nike

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
morgen is het vrijdag.
B
Morgen is het donderdag.

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
Mevrouw Jacomijn zegt: "vandaag zijn jullie vrij."
B
Mevrouw jacomijn zegt: "Vandaag zijn jullie vrij."
C
mevrouw Jacomijn zegt: "vandaag zijn jullie vrij."
D
Mevrouw Jacomijn zegt: "Vandaag zijn jullie vrij."

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions

Wanneer gebruik je een punt?

Slide 13 - Slide

- Bij het einde van een zin.
- Afkortingen.
- Bij grote getallen boven de duizend.
- Bij digitale tijd. Het is nu 20.15 uur

Punt . 
- Bij het einde van een zin.

- Afkortingen: zo snel mogelijk (z.s.m.) / bijvoorbeeld (bijv.)

- Bij grote getallen boven de duizend: 1.000, 25.000, 500.000, 2.000.000

- Bij digitale tijd: 20.15 uur (je mag ook : gebruiken | 20:15 uur)

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Ik zal het formulier zsm inleveren.
A
goed
B
fout

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

We gaan t.z.t. verhuizen naar Zwolle.
A
goed
B
fout

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

We zijn gesloten i.v.m. het mooie weer
A
goed
B
fout

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Tien ton is 10.000 kilogram.
A
goed
B
fout

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Wanneer gebruik je een vraagteken?

Slide 19 - Slide

- Bij een vraagzin die begint met een vraagwoord.  
open vragen
- Bij een vraagzin die begint met een werkwoord gevolgd door de wie of wat(onderwerp).
gesloten vragen
Ga je morgen voetballen?
Vraagteken ?
- Bij een vraagzin die begint met een vraagwoord (wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, hoe laat, hoeveel...)
Wat ga jij vandaag doen?  \  Waar ga jij heen?   \    Wie eet een appel?

- Bij een vraagzin die begint met een werkwoord gevolgd door de wie of wat(onderwerp).
Ga je morgen voetballen?  \   Koop jij een fiets?    \   Eet jij brood?

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Wanneer gebruik je een vraagteken?
A
Na het antwoord.
B
Na een vraag.

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
Ga je mee?
B
Ga mee.

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
Ga naar huis.
B
Ga jij naar huis?

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
Wie heeft een rode auto?
B
Heeft hij een rode auto?

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

Welke is goed?
A
Hoe laat gaat de bus.
B
Hoe laat gaat de bus?

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

Wanneer gebruik je een uitroepteken?

Slide 26 - Slide

- Als je iets roept.
Morgen zijn we vrij!
- Bij de gebiedende wijs.
Help!
Ruim je kamer op!
Doe je mond dicht!
- Bij een heftige emotie, zoals bang, heel blij of boos.
Dat vind ik echt niet leuk!
Ik durf niet naar de tandarts!
Ik ben geslaagd voor mijn examen!
Tip: Je kunt deze zinnen op het bord schrijven en vragen welk emotie bij welke zin hoort.

Uitroepteken !
- Als je iets roept: Morgen zijn we vrij!

- Bij de gebiedende wijs: Help!  |  Ruim je kamer op!  |  Doe je mond dicht!

- Bij een heftige emotie, zoals bang, heel blij of boos.
Dat vind ik echt niet leuk!
Ik durf niet naar de tandarts!
Ik ben geslaagd voor mijn examen!

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Welke is goed?

A
Ga mee!
B
Ga mee?

Slide 28 - Quiz

Na dit lesonderdeel eerst de KAHOOT om nog extra te oefenen. Na slide 21 starten.

Welke is goed?

A
Wat leuk.
B
Wat leuk!

Slide 29 - Quiz

Na dit lesonderdeel eerst de KAHOOT om nog extra te oefenen. Na slide 21 starten.

Welke is goed?

A
Ik ga naar huis.
B
Ik ga naar huis!

Slide 30 - Quiz

Na dit lesonderdeel eerst de KAHOOT om nog extra te oefenen. Na slide 21 starten.

Welke is goed?

A
Ik wil niet naar huis.
B
Ik wil niet naar huis!

Slide 31 - Quiz

Na dit lesonderdeel eerst de KAHOOT om nog extra te oefenen. Na slide 21 starten.

Wanneer gebruik je een komma?

Slide 32 - Slide

- Als je iets roept.
Morgen zijn we vrij!
- Bij de gebiedende wijs.
Help!
Ruim je kamer op!
Doe je mond dicht!
- Bij een heftige emotie, zoals bang, heel blij of boos.
Dat vind ik echt niet leuk!
Ik durf niet naar de tandarts!
Ik ben geslaagd voor mijn examen!
Tip: Je kunt deze zinnen op het bord schrijven en vragen welk emotie bij welke zin hoort.

komma ,
- Bij een pauze in een zin.
Laura, ga je morgen meer zwemmen?
Ik vind een appel lekker, maar alleen een rode.

- Als je twee of meer dingen noemt.
Emma heeft een leuke, rode jurk.
Ik spreek 3 talen: Nederlands, Engels en Duits.
                                                                    Voor en schrijf je meestal geen komma.

Slide 33 - Slide

This item has no instructions

Schrijf de zinnen goed met komma

Slide 34 - Slide

This item has no instructions

tim kom eens hier

Slide 35 - Open question

This item has no instructions

nee dat klopt niet

Slide 36 - Open question

This item has no instructions

ik wil graag een rode gele groene en blauwe bal

Slide 37 - Open question

This item has no instructions

Nu alles door elkaar.

Slide 38 - Slide

This item has no instructions

de televisie staat aan

Slide 39 - Open question

This item has no instructions

remi en rein spelen op de speelplaats

Slide 40 - Open question

This item has no instructions

kan je oma lekker koken

Slide 41 - Open question

This item has no instructions

ik woon in emmen bij de rietplas

Slide 42 - Open question

This item has no instructions

wil je rood wit of blauw

Slide 43 - Open question

This item has no instructions

ik wil wel maar ik kan niet

Slide 44 - Open question

This item has no instructions

Weet je wanneer je een HOOFDLETTER moet gebruiken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 45 - Poll

This item has no instructions

Weet je wanneer je een punt moet gebruiken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 46 - Poll

This item has no instructions

Weet je wanneer je een vraagteken moet gebruiken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 47 - Poll

This item has no instructions

Weet je wanneer je een uitroepteken moet gebruiken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 48 - Poll

This item has no instructions

Weet je wanneer je een komma moet gebruiken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 49 - Poll

This item has no instructions

Wat vind je van deze les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 50 - Poll

This item has no instructions