Week 6 3HV Frans

Les objectifs de ce cours
    Je connais la grammaire C du chapitre 3
   
1 / 22
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Les objectifs de ce cours
    Je connais la grammaire C du chapitre 3
   

Slide 1 - Slide

Le futur simple
  • Lees de regel op bladzijde 38
  • Schrijf deze in eigen woorden op
  • Je hebt 5 minuten en werkt alleen
  • In tweetallen 2 minuten aan elkaar uitleggen

Slide 2 - Slide

Questions
  • wanneer gebruik je de futur simple?
  • wat zijn de uitgangen van de futur simple?
  • vervoegen : welke stappen neem je?
  • welke onregelmatige werkwoorden zijn er?

Slide 3 - Slide

Le futur simple
  • Om uit te leggen dat iets nog zal gaan gebeuren
  • In het Nederlandse gebruik je: zullen

       "Morgen zal ik vrij hebben: dan is het zaterdag"
       "Demain je serai libre: ce sera samedi"

Slide 4 - Slide

Le futur simple - stappenplan
regelmatige ww er, ir, re
       1 - bepaal wat het hele werkwoord is
       2 - eindigt deze op een 'e' haal deze er dan af
       3 - plak de juiste uitgang van de futur er achter
     

Slide 5 - Slide

Le futur simple - de uitgangen
Werkwoorden op ir        - op er                   -op re
Je               choisirai          mangerai             prendrai
Tu               choisiras         mangeras            prendras
Il/elle/on  choisira           mangera              prendra
Nous         choisirons      mangerons         prendrons
Vous          choisirez         mangerez           prendrez
Ils                choisiront      mangeront          prendront

Slide 6 - Slide

Le futur s.: onregelmatige ww.
  • Bij zes werkwoorden is de stam onregelmatig
  • être - je serai
  • avoir - j'aurai
  • faire - je ferai
  • aller - j'irai
  • pouvoir - je pourrai
  • voir - je verrai
Tip!
Schrijf dit rijtje in je boek als aantekening

Slide 7 - Slide

Quiz
On va exercer le futur simple


Slide 8 - Slide

Exercice: in welke tijd staat de zin:
Monique et Christian ont mangé un sandwich.
A
de présent
B
de futur simple
C
de passé composé
D
de futur proche

Slide 9 - Quiz

In welke tijd staat de zin:
À Noël nous pourrons partir faire du ski si tu veux
A
de présent
B
de futur simple
C
de passé composé
D
de futur proche

Slide 10 - Quiz

In welke tijd staat de zin:
Mais nous avons des invités à Noël!
A
de présent
B
de futur simple
C
de passé composé
D
de futur proche

Slide 11 - Quiz

In welke tijd staat de zin:
Salut! Je vais partir maintenant à la maison
A
de présent
B
de futur simple
C
de passé composé
D
de futur proche

Slide 12 - Quiz

Verbes en -ir
Welke vormen zijn correct van de futur simple?
A
Je partirai
B
Je partais
C
Nous partiron
D
Nous partirons

Slide 13 - Quiz

Verbes en -er
Welke vormen zijn correct van de futur simple?
A
Nous parlerons
B
Il parlait
C
Je chanterais
D
Je chanterai

Slide 14 - Quiz

Verbes en -re
Welke vormen zijn correct van de futur simple?
A
Je vendrai
B
Nous vendrons
C
Elle vendrai
D
Ils vendront

Slide 15 - Quiz

Verbes irréguliers
Welke vormen zijn correct?
(kies 2)
A
Un jour, je serais architecte
B
Tu verras!
C
A Noël nous auron de la dinde (kalkoen)
D
Vous n'aurez plus faim après ce repas

Slide 16 - Quiz

Slide 17 - Slide

Tip! 
Schrijf het rijtje van aller in je boek

Slide 18 - Slide

je - regarder (futur proche)
A
je vais regarder
B
je vas regarder
C
je regardera
D
je regarderai

Slide 19 - Quiz

ils - avoir (futur proche)
A
ils font avoir
B
ils avoirent
C
ils vont avoir
D
ils sommes avoir

Slide 20 - Quiz

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide