H3 Spelling Schrijfwijze van getallen

H3 Spelling: schrijfwijze van getallen
1 / 29
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 29 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

H3 Spelling: schrijfwijze van getallen

Slide 1 - Slide

H1 Spelling: trema, apostrof, accent en cedille. 
H2 Spelling: zelfstandig gebruikte telwoorden en zelfstandig gebruikte bijvoeglijk naamwoorden
- Je leert over de schrijfwijze van getallen. 
- Je weet wanneer je getallen in letters of cijfers moet schrijven. 
- Je weet hoe werkwoordsvormen moet schrijven die hetzelfde klinken.
Wat zijn getallen? 
Het gebruik van letters bij getallen.
Het gebruik van cijfers bij getallen. 
Nederlands H3 Spelling, blz. 98-101
Opdracht 1 t/m 11

Hoe ging het? 

Slide 2 - Slide

Getallen
Getallen schrijf je soms in cijfers en soms in letters

Daar zijn spellingsregels voor.

Slide 3 - Slide

Cijfers
Je schrijft getallen in cijfers voor: 
  • getallen boven de twintig: 22, 45, 67
  • maten: 4 meter
  • gewichten: 6 kilogram
  • telefoonnummers: 06-12345678
  • bedragen: € 5,-  / 6 euro
  • data: 1 mei 2023
  • exacte tijdstippen: 17:00 uur
  • percentages: 50%


Slide 4 - Slide

Theorie uitgebreid op een rij:
Wanneer schrijf je getallen in letters/woorden?
1. voor hele getallen van één tot en met twintig (vier, dertien, etc.);
2. Voor de woorden tientallen tot honderd; vijftig, zeventig, negenennegentig
3. Voor de woorden: honderdtallen tot duizend; achthonderd, tweehonderd
4. Voor de woorden: duizendtallen tot tienduizend; tienduizend, zesduizend
5. Voor de woorden: honderdduizend, miljoen, miljard en biljoen
6. Voor de rangtelwoorden van de hierboven genoemde getallen: twaalfde, zeventigste, moljoenste

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

Slide 7 - Slide

Klik de goede spelling van de getallen aan.
A
Gelukkig lagen er nog wel meer dan 50 zakken!
B
Gelukkig lagen er nog wel meer dan vijftig zakken!

Slide 8 - Quiz

want:
Het is een heel getal tussen de één en de twintig, dus als woord opschrijven.

Slide 9 - Slide


Wat is de juiste spelling van getallen in de zin. 
Ik kreeg een bon van ______ euro.
A
10
B
tien

Slide 10 - Quiz

want:
het is een bedrag

Slide 11 - Slide

Welke getallen zijn op de juiste manier genoteerd?
A
acht, achthonderd
B
8, achthonderd
C
acht, 8 honderd
D
8, 8 honderd

Slide 12 - Quiz

want:
het is een heel getal tussen de één en de twintig
het is een honderdtal

Slide 13 - Slide

GETALLEN
Voor dit spel heb je .......... kaarten nodig.
A
32
B
tweeëndertig

Slide 14 - Quiz

want:
het is niet een getal tussen de een en twintig
En, het valt niet onder de tientallen tot honderd
(het is namelijk niet 30 of 40, maar 32)

Slide 15 - Slide

Stelling:
Je gebruikt letters voor hele getallen van één tot en met dertig.
A
waar
B
niet waar

Slide 16 - Quiz

want:
niet waar: het is een hele getal tussen de één en de twintig

Slide 17 - Slide

Wat is de juiste schrijfwijze van de getallen in de zin?
A
Daarna heb ik tot ’s avonds 18:00 uur niets meer gegeten.
B
Daarna heb ik tot ’s avonds zes uur niets meer gegeten.

Slide 18 - Quiz

want:
het is een exacte tijdstip

Slide 19 - Slide

Klik de goede spelling van de getallen aan.
A
Een pak suiker weegt 2 kilogram.
B
Een pak suiker weegt twee kilogram.
C
Een pak suiker weeg 2 kg.
D
Een pak suiker weegt twee kg.

Slide 20 - Quiz

Want:
we schrijven cijfers bij maten en in geschreven taal maten voluit (bij wiskunde en rekenen korten we wél af)

Slide 21 - Slide

Wanneer gebruik je cijfers?
A
getallen boven de 20, uitgezonderd tien- en honderdtallen
B
voor tientallen tot honderd.

Slide 22 - Quiz

Klik de goede spelling van de getallen aan.
A
Nu zijn ze maar 1 euro 50.
B
Nu zijn ze maar een euro vijftig.

Slide 23 - Quiz

Getallen tot en met het woord 'duizend' schrijf je aan elkaar.
Dus: achthonderd, maar vijf duizend gesneuvelden
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 24 - Quiz

Wat is de juiste schrijfwijze van de getallen in de zin?
A
Mijn tweede broertje at er 23.
B
Mijn 2e broertje at er 23.
C
Mijn 2e broertje at er drieëntwintig.
D
Mijn tweede broertje at er drieëntwintig.

Slide 25 - Quiz

want:
het is niet een getal tussen de een en twintig.
En, het valt niet onder de tientallen tot honderd
(het is namelijk niet 20 of 30, maar 23)

Slide 26 - Slide

Van de 44 reizigers waren er twaalf ziek geworden.
A
getallen zijn goed gespeld
B
twaalf moet 12 zijn
C
44 moet vierenveertig zijn

Slide 27 - Quiz

Welke getallen mag je in cijfers uitschrijven?
A
alle getallen
B
alleen tijden
C
alleen telefoonnummers
D
verwijzingen naar maten, gewichten en bedragen

Slide 28 - Quiz

Getallen onder de twintig moet je uitschrijven in woorden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quiz